Home   Brievenrubriek   Medewerking   Vragen   Onderhoud site   Links   Bronnen   Contact   Auteursrechten   Alle fotoalbums

 

Domaniale mijn - Limburgse mijnen

 

De Domaniale mijn lag  in Kerkrade. Hieronder kunt u klikken op diversen onderdelen die betrekking hebben op deze mijn. Bovendien ben ik altijd op zoek naar nieuwe foto's of verhalen over de mijnen heeft u foto's of een verhaal stuur me dit per e-mail dan kan ik dit plaatsen, natuurlijk niet alleen over de Domaniale mijn , maar over alle mijnen. Er zijn op onderdelen nog geen foto's geplaatst dit heeft te maken met de auteursrechten, zodra deze bekend zijn plaats ik meer foto's over de mijnen.

Klik hier in het submenu

 

Ansichten Domaniale Diversen Domaniale | Dikke kolenlaag | Gereedschap | Gebouwen houwer diploma |

Penningen | Plechtige onthulling mijnwerkers monument | Schachten | Schacht Nulland | OVS | 25 jarig dienst jubileum

  50 Jaar op de Hollendsje Koel

.

Onderstaand penning van het 25 jarig jubileum

 

 

 

DE DOMANIALE MIJN    

www.limburgsemijnen.nl"Gegevens verzameld door N. Moonen"

Bron: diversen boeken wij danken de auteurs en uitgevers  van deze boeken.

De Domaniale Mijn was een voortzetting van de oude mijnen van de abdij Kloosterrade. Die oude mijnen waren gelegen in de buurt van Bleyerheide en Strass (D) en de Worm. De abdijmijnen werden in juli 1796 (I Thermidor An 4) door de Fransen overgenomen (geconfisqueerd). Door slecht beheer raakten zij toen in verval. In 1797 werd besloten de oude mijnen op te geven. De mijnbouw werd geconcentreerd op het plateau van Kerkrade-Holz. In de buurt van de (thans voormalige) Domaniale Mijn werden meerdere nieuwe schachten aangelegd. In 1814 werd Kerkrade bevrijd van de Franse overheersing. De mijnen kwamen weer aan Nederland. Op 31 mei 1815 kwam een traktaat van grensscheiding tot stand tussen de koning der Nederlanden en de keizer van Oostenrijk. Dit traktaat werd bevestigd bij het Congres van Wenen op 9 juni 1815. Uit de samengevoegde mijnvelden van de voormalige abdij Kloosterrade (Rolduc) was door de Fransen de gouvernementsmijn (Ie Gouvernement de Rolduc) gevormd. Ze was 506 ha. groot. Deze gouvernementsmijn kwam in 1815 in eigendom van de Nederlandse staat als Domaniale Mijn.

De grens tussen Nederland en Duitsland (Pruisen) werd op dat tijdstip gevormd door de rivier de Worm. De ene helft van Herzogenrath werd Nederlands en de andere helft werd Pruisisch bezit. Deze moeilijkheid werd opgelost door het grenstraktaat van 26 juli 1816 te Aken tussen de koning der Nederlanden en de koning van Pruisen. Hierbij werd een deel van het gebied langs de Worm aan Pruisen afgestaan (o.a. Maubach, Pesch, Strass). In plaats van de rivier de Worm werd de Nieuwstraat de grens. Maar de wijziging van de landsgrens had geen nadelige invloed op de Domaniale Mijn. Zij mocht de in Duitsland gelegen kolenvelden (173 ha) in haar concessiegebied (totaal 690 ha) verder ontginnen. Ook mocht de Duitse regering zich onder geen enkel voorwendsel met de exploitatie ervan bemoeien.

De Domaniale Mijn werd, zoals boven vermeld, vanaf 1815 door de Nederlandse Staat ontgonnen. In 1826 werd, bij de aanleg van een nieuwe schacht, de eerste stoommachine geplaatst.

De ontginningszetel van de Domaniale Mijn werd door de Nederlandse Staat in 1828 aangelegd. Op 9 oktober 1830 werd deze mijn door een groep opstandelingen uit Heerlen bezet. Ze kwam toen in bezit van de Belgische Staat. In 1839 gingen de Domaniale Steenkolenmijnen weer over in Nederlandse handen nadat het verdrag tot scheiding van Noord- en Zuid-Nederland geratificeerd was. Deze mijn is een Staatsmijn gebleven tot zij in 1846 werd overgedragen aan de Aken-Maastrichtse Spoorweg Maatschappij.

Er was veel overlast van water. Hierdoor en door het gebrek aan transportmogelijkheden bleef succes achterwege. In 1842 probeerde de Nederlandse regering om Aken met Maastricht te verbinden via een spoorweg. Deze spoorweg was speciaal bedoeld voor het vervoer van textiel en kolen. Maar de volksvertegenwoordiging gaf geen toestemming. Daarop werd van particuliere zijde de concessie aangevraagd voor de aanleg van die spoorlijn. Als voorwaarde werd gesteld dat de onderneming tevens het beheer van de Domaniale Mijn zou krijgen. De Nederlandse regering willigde deze aanvraag in, maar stelde als eis dat de Domaniale Mijn door een zijspoor met die spoorlijn verbonden zou worden op kosten van die onderneming. Als equivalent voor het grote risico, verbonden aan de aanleg en de exploitatie van een spoorweg in de dun bevolkte en door handel en industrie weinig productieve provincie Limburg, werd door Z.M. koning Willem II bij de wet van 19 juni 1845 het vruchtgebruik van de Domaniale Steenkolenmijnen aan de toekomstige concessionarissen van de lijn Aken-Maastricht voor de tijd van 99 jaar bekrachtigd.

Bij Koninklijk Besluit van 4 september 1845 werden de statuten van de te Maastricht geconstitueerde naamloze vennootschap "Aken- Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij" goedgekeurd. Op 30 januari 1846 volgde de wettelijk vereiste goedkeuring van de statuten van de te Aken onder de naam van "Aachen-Mastrichter Eisenbahn-Gesellschaft" geconstitueerde naamloze vennootschap bij concessie- en bevestigingsoorkonde van Z.M. Friedrich Wilhelm, Koning van Pruisen.

Deze beide vennootschappen gezamenlijk hadden tot doel voor gemeenschappelijke rekening bedoelde spoorweg aan te leggen, uitgaande van het vroegere Rheinische station te Aken via Laurensberg naar Maastricht. Tengevolge van de wet van 19 juni 1845 (Stb. no.29) werd op 4 april 1846 te Maastricht en op 8 april 1846 te 's-Gravenhage de overeenkomst gesloten tussen de Staat der Nederlanden en de Aken- Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij. Voor de tijd van 99 jaar werd het beheer en het genot van de Domaniale Mijn afgestaan aan voormelde maatschappij.

Op 11 mei 1846 werden de Domaniale Steenkolenmijnen door de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij in beheer genomen.

In 1851 kwam de Domaniale Mijn onder het directeurschap van de eerste Nederlandse mijningenieur van der Elst. Tijdens het beheer van deze directeur is de mijn van een noodlijdend en slecht geoutilleerd bedrijf omgebouwd tot een behoorlijk florerende mijn.

De spoorlijn Aken-Maastricht kwam gereed in 1853; de verbinding Simpelveld-Domaniale mijn pas in 1872. Het vervoer van steenkool had aanvankelijk niet veel te betekenen. Ook steeg de productie als gevolg van de spoorwegverbinding niet noemenswaardig.

Al in 1858 en vervolgens in 1873 werd door de Maatschappij een verzoek ingediend tot uitbreiding van het mijnveld. In 1875 werd daarop 250 ha voor uitbreiding van het Domaniale mijnveld gereserveerd. Dit terrein werd toen, behalve een klein gedeelte waarop door de concessionaris van het mijnveld Ernst een boring was uitgevoerd, aan het Domaniale mijnveld toegevoegd. Ook werd toen een kleine vergissing hersteld. Bij de verlening van de mijnconcessie Willem was nl. ten onrechte een betrekkelijk klein deel van het Domaniale mijnveld bij de concessie Willem gevoegd. De Aken-Maastrichtsche Spoorwegmaatschappij deed in 1875 afstand van de ontginningsrechten onder dit gedeelte. (Het was gelegen tussen deboven- en benedenarm van de Molenbeek).De overeenkomst met de Aken-Maastrichtsche Spoorwegmaatschappij gaf telkens aanleiding tot moeilijkheden ten aanzien van het vaststellen van de zuivere opbrengst. Bij deze Maatschappij bestond nl.de neiging om kapitaaluitgaven, zoals verdiepen van schachten voor een volgend ontginningsniveau, in goede jaren op de onderhoudsrekening te plaatsen, zodat dan minder aan de Staat uitgekeerd hoefde te worden. Zo bleef de gemiddelde uitkering aan de Staat in de periode 1870-1879 op hetzelfde niveau als in de periode 1814-1843 (ongeveer f 3456,-).

In 1881 werd de overeenkomst van 1846 gewijzigd. De verhouding tussen de Staat en de Concessionarisse werd naar een andere maatstaf geregeld met betrekking tot de winstverdeling. Dit bleek later een ernstige belemmering te zijn voor de ontwikkeling van de exploitatie. Want de omstandigheden waren intussen helemaal veranderd.

De concessie Charlotte, in 1891/92 vervallen, werd gereserveerd voor uitbreiding van het Domaniale mijnveld.

Vanaf 1911 was er bij de regering op aangedrongen het bestaande contract te wijzigen, maar zonder succes voor de Maatschappij.

Op 21 april 1913 werd een wetsvoorstel ingediend tot overdracht van de mijnrechten van de Staat aan de Aken-Maastrichtsche Spoorwegmaatschappij met ingang van 1 januari 1911. Deze maatschappij zou dan de mijn verkrijgen alsof haar volgens de mijnwet van 1810 concessie verleend was. Dit wetsontwerp werd echter op 20 februari 1915 ingetrokken.

In 1919 werd een overeenkomst bereikt tussen de Staat en de directie van de Aken-Maastrichtsche Spoorwegmaatschappij. De rechten van de maatschappij zouden aan de Staat worden overgedragen voor f 3.000.000,-. Maar deze overeenkomst werd door de vergadering van aandeelhouders verworpen.

In 1921 leed de maatschappij een groot verlies. Zij verlaagde daarom de lonen die beneden het in Limburg geldende peil kwamen. Dat gaf aanleiding tot werkstaking in augustus van dat jaar. Het algemeen belang eiste gezonde arbeidstoestanden en een goede exploitatie. Daarvoor was een wijziging nodig van de overeenkomst. Want de maatschappij kon onder de bestaande toestand geen nieuw kapitaal verkrijgen voor modernisering van de installaties. Het wetsontwerp van 25 maart 1922 om de toestand te verbeteren werd op 27 april 1923 verworpen. Eindelijk werd in februari 1925 een nieuwe overeenkomst gesloten, die bij wet van 28 mei 1925, Staatsblad no.203 bekrachtigd werd. De verhouding tussen de Staat en de Maatschappij werd opnieuw geregeld. De te betalen royalties werden verlaagd. In juni d.o.v. werd de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij - die sedert 1867 geen spoorlijn meer exploiteerde - omgezet in de Domaniale Mijn Maatschappij N.V., gevestigd te Kerkrade. Zij was een geheel Nederlandse onderneming. Deze exploitatie-overeenkomst werd in juni 1952 verlengd tot 31 december 1982; deze verlenging werd goedgekeurd bij de wet van 10 februari 1954.

In 1856 was het "Fonds tot ondersteuning van de arbeiders in dienst bij de Domaniale Steenkolenmijnen te Kerkrade" gesticht. In de periode van omstreeks 1925-1934 waren daar moeilijkheden ontstaan; er was te weinig geld voor de uitkering van de in uitzicht gestelde pensioenen. Door de lage royalty over de jaren 1934-1937 werd de Dom. Mijn Mij NV in staat gesteld een belangrijk bedrag voor de liquidatie van het pensioenfonds ter beschikking te stellen.

Op 23 oktober 1853 kwam de lijn Aken-Maastricht in gebruik. Zij was de derde spoorlijn in Nederland. Met de aanleg van het zijspoor werd geen haast gemaakt wegens geldgebrek. De kolen van de mijnen van Kerkrade gingen daarom per paardewagen naar Kohlscheid (D). Daar gingen zij met de trein naar Aken en vandaar weer naar Neder- land. Pas in 1880 kwam het zijspoor Domaniale-Simpelveld gereed. Bij de aanleg van het zogenaamde Miljoenenlijntje in 1934 werd het gedeelte Simpelveld-Spekholzerheide aan de Nederlandse Spoorwegen verkocht.

In 1868 werd de stoompomp van 1828 vervangen door een nieuwe. Daarmee was de toekomst voor de Domaniale mijn verzekerd, aldus een mededeling uit die tijd.

Na 1870 kwam er een nieuwe concessie bij (met schacht Beeren-busch).

In 1880 werden de in 1846 vastgestelde, beperkende bepalingen voor de prijzen en de productie opgeheven, Een nieuwe overeenkomst,welke liep tot 31 december 1952, werd aangegaan. Volgens die overeenkomst moest per ton gewonnen kool f 0,50 vergoeding aan de Staat betaald worden. De overeenkomst werd op 31 december 1952 verlengd. De te betalen vergoeding bedroeg toen f 0,20 per ton gewonnen kolen.

In 1958 begon zich een structurele kolencrisis af te tekenen. In dat jaar werkten er op de Domaniale zo'n 3000 man en er werd 480.810 ton steenkolen gedolven. Die kolencrisis had als oorzaken: Amerikaanse kolen die in dagbouw ontgonnen werden en die onder invloed van lage transportkosten goedkoper waren dan onze eigen kolen. Verder ontplooide zich een voortdurend ontwikkelende olie-industrie; Rotterdam was de grootste aanvoerhaven voor aardolie in West-Europa geworden. De opmars van het aardgas uit Slochteren in de jaren zestig maakte een toekomst voor de steenkolenmijnen verder illusionair. Desondanks werd in 1960 het concessiegebied nog uitgebreid door aankoop van de concessie Neuprick (85 ha.). 

De Nota Den Uyl (minister van Economische Zaken) van 14 december 1965 bevatte het besluit om de steenkoolontginningen stop te zetten, en wel in een zodanig tempo dat tijdig voor vervangende werkgelegenheid gezorgd kon worden om het afvloeiende personeel op te vangen. In 1966 nam de Nederlandse Staat de aandelen over en werd daar- mee de grootste aandelenhouder van de Domaniale steenkolenmijn.

Daardoor bepaalde zij het tijdstip en het tempo van de sluiting.

In 1969 werd de kolenproductie beëindigd. De oppervlakte van de concessie was bij de sluiting 885 ha. (inclusief Neu-Prick en Bleyerheide).

Produktieschachten vanaf An XI (1802):

* schacht Philippe; stilgelegd vóór Vendémiaire An XI.

* Fosse 1; in bedrijf van vóór Vendémiaire An XI tot 16 mei 1815. - In An XI is er sprake van een ancienne en nouveIle Fosse 1. Deze Fosse 1 bestond uit drie stukken; het onderscheid in oud en nieuw heeft zeer waarschijnlijk daarop betrekking.

* Fosse 2; in bedrijf van vóór Vendémiaire An XI tot september 1816.

* schacht Bonaparte; in bedrijf van vóór Vendémiaire An XI tot maart 1811.

* schacht Bonne Espérance; in bedrijf van februari 1810 tot maart 1813.

* schacht Nouvelle Bonaparte, later Paix genoemd; in bedrijf van maart 1814 tot 1828.

* schacht NouveIle Espérance, ook Guillaume genaamd; in bedrijf vanaf september 1816 tot 1828. - Volgens een kaart uit 1819 is deze schacht gebouwd boven op een "puit intérieure" van de (oude) Espérance.

Verdere schachten:

* Schacht Neulandt I; in bedrijf na 1808; gestopt op 1 januari 1828; gevuld in 1920.

* Schacht Willem I (Grand Bure); aanleg 1827 of 1828; maaiveld ca. + 165,00 m A.P.

* Schacht Neuland; aanleg ca 1828; rechthoekig; 2,00 x 4,60 m.

* Schacht Louise; aanleg 1856.

* Schacht Susanne; 1857.

* Buizenschacht; aanleg 1904; maaiveld ca. 165,00 m A.P.

* Schacht Beerenbosch I; aanleg 1905; maaiveld ca + 149,00 m A.P.

* Schacht Nulland (Neuland II); met afdiepen gestart in 1907 (zinkschachtmethode); inwendige doorsnede 3,80 m; maaiveld ca + 156,20 m A.P.

* Schacht Beerenbosch II; aanleg 1917; maaiveld ca 149,00 m A.P.

* Schacht Willem II; aanleg 1927-1928; maaiveld ca. + 165,00 m A.P.

* Nieuwe schacht in veld Neu-Prick, in 1962; doorsnede 4,00 m.

* Schacht Baamstraat; aanleg 1967 (wegens de aankoop van de concessie Neu-Prick-Bleyerheide noodzakelijk voor een goede luchtcirculatie); maaiveld + 126,90 m N.A.P.; dekterrein 14,20 m. De bodem van de schacht (+ 105,90 m N.A.P.) is de vloer van koollaag Merl. (De gemiddelde dikte van laag Merl = 220 kool; helling van de laag 2-5 graden). Deze schacht werd door de firma Laeven uit Heerlen, door middel van de zinkschacht-methode, in 1962 afgediept in het dekterrein en rond gebetonneerd. In het Carboon werd een vierkanten ijzerbetimmering aangebracht, 2,75 x 2,40 m. Deze schacht diende als materiaal- en vulschacht.Na de sluiting van de Domaniale mijn werd de schacht in 1967 gevuld met 150 m3 wasserijstenen. Door de aanleg van de structuurweg werd het nieuwe maaiveld ca. + 141,50 m N.A.P. Er werd een vierkante koker op de schacht geplaatst en met split gevuld, voorzien van een gedenkplaat.Het bovengrondse bedrijf van de Domaniale was door middel van zes schachten met het ondergrondse bedrijf verbonden, namelijk:

- schacht Willem I. Dit was een vervoerschacht.

- Buizenschacht (nabij schacht Willem I); dit was een uittrekkende ventilatieschacht.

- schacht Willem II. Het was een zogenaamde dubbele schacht, met twee vervoerafdelingen.

- schacht Beerenbosch II (ventilatieschacht).

- schacht te Nulland (ventilatieschacht).

De Domaniale Mijn had 13 verdiepingen:

40-m verd. + 122,00 m A.P. (scht. Willem I) = Krehaenskanaal (hist) voor afwatering naar de Worm).

60-m verd. + 92,80 m A.P. (scht. Nulland).

75-m verd. + 74,90 m A.P. (scht. Beerenbosch I + II).

75-m verd. + 91,00 m A.P. (scht.WillemI).

110-m verd. + 66,10 m A.P. (scht. Willem I + II).

150-m verd. + 24,80 m A.P. (scht. Willem I + II).

150-m verd. + 28,50 m A.P. (scht. Nulland).

200-m verd. -23,50 m A.P. (scht. Willem I + II).

260-m verd. -85,50 m A.P. (scht. Willem I + II).

280-m verd. -107,50 m A.P. (scht. Beerenbosch I + II).

330-m verd. -155,00 m A.P. (scht. Willem I + II).

380-m verd. -210,00 m A.P. (scht. Willem I+II, scht. Beerenbosch I+II).

500-m verd. -330,00 m A.P. (scht. Willem II, scht. Beerenbosch I+II).

620 m verd. -451,60 m A.P. (scht. Willem II).

800 m verd. -633,60 m A.P. (scht. Willem II).

In de periode van 1900 tot 1914 steeg de productie van 124.530 ton tot 444.574 ton. Van 1931 tot 1933 liep de steenkolenproductie van de Domaniale steenkolenmijn op tot 1 miljard ton.

In 1969 werd de kolenproductie van deze mijn beëindigd.

=000=

10. Neu-Prick- Bleyerheide

In de omgeving van Kerkrade worden meerdere oude mijnen genoemd, o.a. de Prickkoul, St. Nikolas, de Feldkoul, de Gouvernementsmijn van Rolduc en de mijn Nulland. De concessie voor deze laatste mijn werd op 4 fructidor an 7 (= 21 augustus 1799) aangevraagd.

In 1808 werd de aanvraag om concessie voor de mijn Nulland afgewezen. Het terrein werd met een gedeelte van de Prickkoul toegewezen aan de Gouvernementsmijnen. Uit de rest van de Prickkoul, samen met St. Nicolas en de Feldkoul, ontstond de mijn Neuprick, groot 5 ha. (Akte van concessie, februari 1808). Het was de tweede mijn in Zuid-Limburg; en de eerste partikuliere mijn. Eigenaar was de Duitse maatschappij "Pannesheider-Bergwerk-verein".

De mijn Nulland mocht doorwerken tot zij schadeloosstelling had gekregen.

In 1808 (bij keizerlijk decreet van 2 februari) werd nog een tweede mijnconcessie verleend en wel de "Bleyerheide"; groot 27 ha. De exploitatie ervan was zeker tot in 1821; daarna heeft de ontginning er circa 30 jaar gerust.

Sinds 11 juni 1846 werd de ontginning van de Neuprick gestaakt. In 1850 ontstond er onenigheid met de "Bleyerheide" over de ontginning van de laag Steinknipp. In november 1852 werd, na de nodige herstellingen in de galerijen, de ontginning hervat. Ook was men toen van plan om samen te gaan met de "Bleyerheide". Vanaf 1853 was er een regelmatige productie. Die productie was toen 1089 ton.

De schacht van deze mijn heette de Catharina-schacht (102,30 m. A.P. ).

Op 22 november 1855 verleende de minister van Binnenlandse Zaken machtiging (no.154, 6e Afdeeling Nijverheid) om de steengang op 209 el diepte in oostelijke richting voort te zetten. Die gang was verbonden met een steengang van de Duitse mijn Neu Vockart. Hierdoor stroomde het water van de Neuprick naar de Neu Vockart en werd daar opgepompt. De Catharina-schacht werd toen een luchtschacht. In de steengang werden op 5 november 1856 ijzeren hekdeuren geplaatst, om smokkelen tegen te gaan.

In 1857 werd begonnen met een andere steengang als verbinding met de Catharina-schacht. In 1858 had deze gang de schacht nog niet bereikt. In 1859 zette men de werkzaamheden met de steengang naar de Catharina-schacht voort. En in 1860 waren er herstellingen aan die schacht zelf.

Van 1861 t/m 1867 werd de productie onderbroken. Er hadden toen alleen onderhoudswerkzaamheden plaats.

Zoals boven vermeld, waren er in 1852 plannen om samen te gaan met de "Bleyerheide". In 1860 waren er onderhandelingen om de Neuprick en de "Bleyerheide" over te doen aan het "Wurm Gesellschaft". Maar pas in 1883 werden beide mijnen verenigd onder de naam Neu-Prick-Bleyerheide. De beide concessies waren samen 85 ha groot. Zij stond onder beheer van de Eschweiler Bergwerk Verein (Pannesheider Mijnenvereeniging).

In 1899 leverde zij ruim 46.000 ton kolen. De grootste productie werd bereikt in 1903. Toen passeerden 61.880 ton steenkolen de schacht. In 1904 werd nog 35.200 ton getrokken met een totale bezetting van 163 man.

In 1904 stegen de exploitatiekosten in verband met de aanhoudende watertoevloed zodanig, dat een lonende afbouw van de resterende kolenlagen niet langer mogelijk bleek. In augustus van dat jaar werd het bedrijf stopgezet en de schacht van de "Bleyerheide" werd dichtgegooid. Ook werd in 1904 de verbindingsgang met Neu- Voccart dichtgemetseld.

In 1960 werd de concessie "Neu-Prick" (toen 85 ha.) aangekocht door de Domaniale Mijn Mij. N.V. voor de prijs van ƒ 1.500.000,-- en werd door deze mijn geëxploiteerd.

Er waren zeven verdiepingen:

66 m. verdieping + 10230 m. A.P.

90 m. verd. + 78,40 m. A.P.

122 m. verd. + 46,10 m. A.P.

170 m. verd. -2,20 m. A.P.

212 m. verd. -41,40 m. A.P.

235 m. verd. -66,80 m. A.P.

270 m. verd. -98,20 m. A.P.

In de mijn Neuprick werd op circa 15 posten de kool met de hak bewerkt. Horizontale mijnbouw werd pas in de laatste jaren toegepast, nl. na het afdiepen van de schacht.

De afbouw had aanvankelijk plaats van het 200 m. niveau van waaruit het veld met dalingen, zgn. "Gesenker" werd ontsloten.

Het vervoer in die dagen geschiedde met paarden. De kolenlorries werden door paarden over de hellende steengangen naar de schacht getrokken. Bovengronds werden de kolen in 7 soorten gezeefd en vervolgens in een smalspoortrein via de huidige Pricksteenweg en de Nieuwstraat naar het station te Kohlscheid vervoerd. Die "treinen" bestonden uit anderhalve meter hoge lorries die door paarden (meestal 6 of 7) getrokken werden.

Het transport naar Kohlscheid was een monopolie-kwestie voor de drie gebroeders Leuchter te Kerkrade; zij hadden daarvoor 35 paarden op stal staan. Zij transporteerden niet alleen de kolen van de Neuprick, maar ook die van de Voccart. Voor een "Zug", meestal 15 lorries van een ton, werd hen 5 Mark betaald.

In Kohlscheid werden de kolen verladen in normale wagons en verder naar de afnemers vervoerd. De afstand naar Kohlscheid, ongeveer 7 km, werd in anderhalf uur afgelegd. De paardenstal van de familie Leuchter stond destijds aan de Nieuwstraat. Een eigen smederij zorgde voor stevig hoefbeslag. Behalve de kolen transporteerden de Gebr. Leuchter ook incidentele "vrachtjes" voor de beide mijnen, zoals ketels van ca 35.000 ton. Daarvoor moesten 20 paarden in het gareel komen.

In verband met het kleine wagenpark stond ondergronds in de Neuprick het vervoer stop wanneer 50 wagens bovengronds in het vervoer waren. Via een speciale seinpaal werd dan de Voccart gewaarschuwd om lege wagens te sturen zodat het kolenvervoer in de Neuprick weer normaal door kon gaan.

In 1902 kwam de elektrische tramlijn van Aken naar Herzogenrath in bedrijf met een zijtak naar de Neuprick. Dit betekende voor de paardentractie het einde. De kolen werden voortaan op brede platte wagens over deze tramlijn naar Kohlscheid vervoerd. De 35 paarden werden op een openbare verkoop verkocht.

De bovengronders van de Neuprick kregen dagelijks enkele "kiebels" warm eten uit het casino van Kohlscheid. Wat er overbleef, ging naar de werklieden ondergronds.

Het was verboden om ongewassen de mijn te verlaten. Op de Neuprick had men dan ook een waslokaal met 5 waskuipen: één voor de Meester-Opzichter, één voor de opzichter en drie voor de arbeiders.

Een sleper verdiende op de Neuprick een Mark per dag. Werd men op 19-jarige leeftijd "aangespannen", dan verdiende men 1,90 Mark per dag. Een houwer kon per dienst 2,80 tot 3 Mark verdienen. Wanneer men aan de directeur, een zekere mijnheer Hild, beloofde om een maand lang geen sterke drank te gebruiken, kon men op een Mark toeslag rekenen.

In 1904 "verzoop" de Neuprick. Een gedeelte van de mijnwerkers ging werken op de Voccart. Een ander deel kwam terecht op de Domaniale Mijn te Kerkrade. De gebouwen van de Neuprick werden later grotendeels afgebroken. Op de Pricksteenweg stonden in 1954 nog twee huizen waarin destijds het loonbureau en de smederij gehuisvest waren. Ook waren toen nog over twee huisjes op het Prickbos, waarin zich o.m. het kantoor van de Meester-Opzichter (Vaarstieger) bevond.

De naam Prickbos duidt nog de plaats aan waar eertijds deze mijn gelegen heeft.

-=000=-

Nulland

In 1799 werd een voorlopige concessie verleend voor een mijn op het plateau van Nulland. Na de vrede van Luneville in 1801 werd de eis gesteld dat alle voorlopig verleende concessies opnieuw moesten worden aangevraagd. Daartoe behoorde ook de concessie "Nulland". Op de kaart van de concessies staan twee schachten getekend aan weerszijden van de Nullanderstraat, nabij hoek Kruisstraat. Beide schachten zijn nieuwe schachten. Bij Keizerlijk Decreet van 2 februari 1808 werd een aanvraag om concessie voor de mijn Nulland afgewezen. Het omstreden terrein werd, samen met een deel van de Prickkoul, toegewezen aan de Gouvernementsmijn. Maar Nulland mocht doorwerken tot men schadeloos gesteld was door de Gouvernementsmijn.

In 1822 werden behalve de twee te Nulland genoemde schachten nog twee andere schachten genoemd. De ene heette "Bur de Neuland" en de andere "Bur d'air", dus respectievelijk Neulander schacht en lucht-schacht. Deze laatste schachten waren gelegen ten westen van de Kipstraat op het plein voor de Maria Gorettikerk, vlak bij de tegenwoordige schacht Nulland.

Omstreeks 1828 worden op de Domaniale Mijn twee nieuwe schachten afgediept: schacht Willem (Grande Bur) en schacht Neuland. Op een tekening uit 1836 staat deze laatste schacht aangegeven als rechthoekig (2 x 4,60 m) met diagonale afscheiding tussen ventilatie- en ladderafdeling (klimschacht).

Tijdens herstelwerkzaamheden, in 1862, in het bovenste deel van schacht Neuland volgde een doorbraak van drijfzand. De bovengrond kwam in beweging en een gedeelte van het schachtgebouw stortte in de schacht. De luchtverversing in de mijn raakte ontregeld. Het herstel van deze luchtschacht was pas in 1874 gereed. In 1919 werd boven de 84 m-verdieping in de schacht een betonnen prop aangebracht. En in 1920 werd hij tot aan het maaiveld met aarde gevuld. De gebouwen werden merendeels gesloopt.

Schacht Nulland (Neuland II)

Om de voorraad ontginbare kolen in de lagen Merl, Gross- en Klein Muhlenbach en Steinknipp te kunnen ontginnen, moest een goede ventilatie gemaakt worden. Een verbinding via een steengang van 400 meter lengte tot aan schacht Neuland zou 2 3 jaren duren. De kosten ervan werden geraamd op 66.000 Mark. Als alternatief werd door de directie voorgesteld om een nieuwe ventilatieschacht af te diepen tot 100 m diepte. De kosten ervan werden geraamd op 58.000 Mark.

De schachttoren van Nulland is ontworpen en in 1907 gebouwd door Ir. Th.H.Fr.Wilhelm Husmann. Hij was van 1906 tot 1932 technisch direkteur van de Domaniale Mijn te Kerkrade.

Begin 1907 werd met het afdiepen gestart volgens de zinkschachtmethode. In 1915 werden bovengronds 4 stoomketels geplaatst elk t.b.v. een ophaalmachine en een ventilator. Na het gereedkomen van de schacht tot de 260 m-verdieping, in 1919, werd nog een 2e ventilator inclusief stoomketel geplaatst. Vanaf toen nam deze schacht volledig de taak van de "oude" schacht Neuland over. Deze schacht werd ook gebruikt voor het vervoer van personen werkzaam in het westveld. Bovengronds werden daartoe gebouwd een badlokaal, lampisterie en opzichterslokaal. Vanaf 1921 kwamen de oorspronkelijke plannen om van schacht Nulland een productieschacht te maken in een stadium van daadwerkelijke realisatie. De toren boven de schacht werd verhoogd en van schoorbogen voorzien; er werd een losvloer gebouwd met laadinrichting; kortom het werd een echte schachtbok. Maar het kwam niet tot volledige realisatie. De schacht bleef dienst doen voor personenvervoer en materiaaltransport, maar de belangrijkste taak was als ventilatieschacht.

Nog in 1966 werd de schacht vanuit de 260 m-verdieping verder afgediept naar 370 meter diepte. Daar ontmoette hij een steenhelling. Maar nog in hetzelfde jaar werd het besluit genomen om de Domaniale Mijn te sluiten. Eind augustus 1969 werden de laatste kolen uit de Domaniale mijn gedolven en daarmee was ook het lot van schacht Nulland bezegeld.

In 1970 werd de schacht vanaf de 63 m-verdieping tot aan het maaiveld volgestort met beton en in 1971 werden alle gebouwen rond de schacht gesloopt, met uitzondering van de schachtbok.

Na restauratie is schacht Nulland tot monument verklaard.

www.limburgsemijnen.nl "Gegevens verzameld door N. Moonen"

Bron: diversen boeken wij danken de auteurs en uitgevers  van deze boeken.