Home   Brievenrubriek   Medewerking   Vragen   Onderhoud site   Links   Bronnen   Contact   Auteursrechten   Alle fotoalbums

Limburgse mijnen

Het ontstaan van de mijnen

 

4. Het personeel op de mijnen.

www.limburgsemijnen.nl"Gegevens verzameld door N. Moonen"

Bron: diversen boeken wij danken de auteurs en uitgevers  van deze boeken.

In de allereerste tijden verrichtten de mijnbouwondernemers zelf de arbeid in de mijnen. Sinds de tweede helft van de 17eeeuw werden steeds meer betaalde knechten in de mijnen tewerkgesteld. Dit bedrijfssysteem werd door Kloosterrade vanaf 1741 doorgevoerd.

De technische leiding van de abdij-mijnen berustte bij een directeur. De commerciële leiding was in handen van de provisor in samenwerking met de abt. Na plaatsing van de pompmachines had men nog een directeur van de hydraulische machines. Onder het toezicht van deze directeur stonden allen die met de waterinstallaties te maken hadden. Tot hen behoorden de Pumpenmeister (Kunstmeister), vakkundige personen voor het toezicht op de pompinstallatie en het waterrad. Ook behoorden tot hen de pompers, de pompensmid en de weyerleuthe; deze laatsten waren belast met het reinigingswerk van de kanalen. In 1777 wordt gesproken over een waterdichte stof voor de arbeiders die belast waren met het reinigen van de waterkanalen.

Het opzicht in de mijnen geschiedde door bekwame arbeiders, meesterknechten (Bergsteiger) genoemd. Zij gaven enige leiding en ontvingen meer loon. Beneden in de mijn werkten de houwers (knechten, Kohlengräber, Köhler, coupeurs). Met bickelen ende schuppen maakten zij de kool los. Door hond-laders werd die kool dan in tenen manden (honden) geschept. Deze manden waren bevestigd op houten sleden. Door Buben (slepers) werden deze sleden aan een touw naar de schacht getrokken. Daar stortten zij de kolen in de bak die aan het schachtzeel hing.

Boven stonden de aftrekkers (bovengrondse winders). Zij moesten de bak omhoog trekken. Bij geringe diepte geschiedde dit met handlieren. Ondergronds kende men nog de ondergrondse winders.

Andere arbeiders in het mijnbedrijf waren: stutters en diepwerckers (schachthouwers). In 1773 verdienden deze laatsten 15 stuivers per dag.

Omstreeks 1775 waren 360 arbeiders in de abdijmijnen werkzaam.

Bovengronds werkten op het mijnterrein de schachthoutmakers. Het toezicht op de bovengrondse installaties werd uitgeoefend door de z.g. Koullen-wachter.

In 1752 werd de hydraulische machine in gebruik genomen. En in 1777 werd door de abdij een machine ontworpen ten behoeve van het transport van steenkool via de schachten naar de oppervlakte. Beide machines waren zogenaamde rosmolens: bovengronds werden zij in beweging gebracht door paarden. Tot het bovengronds mijnpersoneel behoorden dan ook paardenknechten.

In manden werden de kolen naar de opslagplaats gesjouwd. Bij de opslagplaats kon men de kolen kopen. Om fraude en ruzie te voorkomen, was op de afzonderlijke mijnen een koolschrijver benoemd. Dit had de abt van Kloosterrade van de mijngezelschappen geëist. Deze koolschrijver werd ook wel Schichtmeister, ontvanger of receveur genoemd. Hij zorgde voor de administratie. Hij moest de productie controleren, de boekhouding over de kolenverkoop bijhouden, de loonlijsten opstellen, de weeklonen uitbetalen en aan de provisor verantwoording afleggen over het mijnbedrijf. Ook moest hij alle materialen aanschaffen, zoals hout, olie, ijzer en kaarsen.

De korven (manden) die nodig waren voor het ophalen van de steenkool, werden door mandenmakers vervaardigd in een eigen mandenvlechterij.Het sjouwen van de manden naar de opslagplaats werd vaak door vrouwen of kinderen verricht. De eerste vermelding van vrouwenarbeid op de mijnen in het Wormbekken dateert van 30 september 1762. De vrouwen wogen toen de kolen af. Ondergronds werden vrouwen pas sedert de Franse tijd te werk gesteld.

Krachtens verordening van het Koninklijk Staatstoezicht der Mijnen van 9 febr. 1827 mochten vrouwelijke arbeidskrachten nog slechts tewerkgesteld worden op de kolenbergen en in de kolen- en materiaalmagazijnen.

Er was een nacht- en een dagdienst. De nachtdienst duurde steeds 8 uur. De directeuren en ontvangers ontvingen allen een vast jaarlijks inkomen. De mijnwerkers kregen een weekloon.

Bij de betaling van de mijnwerkers speelde het bier een grote rol. Het werd geleverd uit de brouwerij van de abdij; het vormde een bestanddeel van het loon. Aan zieke mijnwerkers en aan degenen die liever geen bier hadden, werd de tegenwaarde in geld uitbetaald. Er bestonden twee soorten bier: 1e kwaliteit was voor de directeur, de beambten, de pompenmeester en de ontvanger; 2e kwaliteit was voor de mijnwerkers. In het algemeen werd per schicht aan ieder 2 potten bier (2 x 1,3 liter) uitgereikt. In 1775 kregen de mijnwerkers van Kloosterrade 14.369 potten bier in totaal.

   www.limburgsemijnen.nl"Gegevens verzameld door N. Moonen"

Bron: diversen boeken wij danken de auteurs en uitgevers  van deze boeken.

 

 

3. Het mijnwater.

www.limburgsemijnen.nl"Gegevens verzameld door N. Moonen"

Bron: diversen boeken wij danken de auteurs en uitgevers  van deze boeken.

In het begin verwijderde men het mijnwater in bakken. Later legde men ondergrondse kanalen aan. Deze kanalen mondden uit in de rivier de Worm. Het mijnwater werd met bakken tot in het kanaal getransporteerd. Later werden handpompen op de verschillende verdiepingen geplaatst. Er ontstond een nieuwe groep arbeiders: de pumper. Bij het afdalen kregen zij twee keer zoveel kannen bier mee als de andere mijnarbeiders.

In 1616 liet abt Horpusch van Kloosterrade een groot waterrad bouwen. Speciaal daarvoor was een stuw aangelegd in de Worm. Het rad was verbonden met de zuigerstangen van de pompen in de mijn Steinbusch. In 1743 werd besloten een ondergrondse waterafvoergalerij (adit, ath) aan te leggen. Dat gebeurde op aanraden van graaf d'Aspremont, een deskundige uit het Luikse kolengebied die in augustus 1743 te Kloosterrade op bezoek was.

In 1752 liet abt Fabritius een speciale (hydraulische) machine construeren. Ze was bedoeld voor de drooglegging van de mijn Maubach. Op 28 februari van dat jaar moest de mijnarbeid enige tijd worden stopgezet totdat de hydraulische machine geïnstalleerd was. Die machine was een zg. rosmolen. Door een waterrad werden de zuigerstangen van de pompen welke loodrecht boven elkaar in de schacht waren opgesteld, door vier paarden in beweging gebracht. De zuigbuis van de onderste pomp mondde uit in een ondergronds waterbassin dat als verzamelplaats voor het water diende. Vandaar werd het water omhoog gepompt in een houten koker die als bassin diende voor de tweede pomp. Deze pompte het water naar de derde en zo ging het door, totdat het niveau van het afvoerkanaal bereikt was. Door dit afvoerkanaal werd het water uit de mijn naar de rivier de Worm geleid.

Toen de kolen steeds dieper ontgonnen werden, voldeed deze methode niet meer. De machine kon de enorme watermassa's niet meer verwerken. Daarom moest men weer zijn toevlucht nemen tot de oude handpompen.

Op 3 oktober 1770 vroeg Kloosterrade bij de Rekenkamer te Brussel om toestemming tot het plaatsen van een nieuwe waterlozing-machine ten behoeve van de mijnen van de abdij. De nieuwe machine zou door wind of water worden voortbewogen. Op 13 februari 1772 werd de toestemming verkregen. En op 12 augustus 1773 werd een contract gesloten met J. Honin, de machinemeester van de mijnen van de stad Aken. Met de aanleg van de nieuwe machineschacht werd op 8 augustus 1774 begonnen. Deze schacht kreeg de naam Buschweide. Het waterrad had een doorsnede van ongeveer 13 meter.

Op 26 mei 1773 had abt Haghen zich door de keizer toestemming laten geven om de som van 10.000 kronen op te nemen. Hij had dat kapitaal nodig voor de aankoop van een tweede waterlozing-machine. Die kon hij onder gunstige voorwaarden kopen van M.J. von Klotz, een schepen van Aken.

www.limburgsemijnen.nl"Gegevens verzameld door N. Moonen"

Bron: diversen boeken wij danken de auteurs en uitgevers  van deze boeken.

 

 

6. Medische zorg.

www.limburgsemijnen.nl"Gegevens verzameld door N. Moonen"

Bron: diversen boeken wij danken de auteurs en uitgevers  van deze boeken.

Maatregelen op medisch gebied in de mijnen worden pas vermeld in de 17e eeuw. De hulp van talrijke mijngezelschappen bleef echter gebrekkig. In de tweede helft van de 18e eeuw werden daarom in enkele mijnen "Verenigingen tot Ondersteuning bij Ziekte en Ongevallen" opgericht. Uit de regelmatige bijdragen werden de kosten voor wondartsen, medicijnen, ziekenondersteuning, schoolgeld en weduwegeld bestreden. Te Herzogenrath waren twee chirurgen. Zij verzorgden de gewonden en zieken. In de 18e eeuw werden zij door de abt van Kloosterrade benoemd.

De arbeiders van elke mijn produceerden dagelijks 5 honden kolen extra. Uit de opbrengst ervan werden de ondersteuningen van getroffen mijnwerkers en hun gezinnen betaald. Later werd hier een zogenaamde armenbus gesticht. De werkgevers droegen daaraan per week en per arbeider één stuiver bij. Ook werden de boeten voor te laat komen erin gestort.

De abdij verlangde geen bijdrage van de mijnarbeiders voor ondersteuning. Op kosten van de abdij werden zij bij ongevallen en ziekte gratis verpleegd door de chirurgen van Herzogenrath. In geval van ziekte ontving de

Toen men de Stoss- en Streb-bouw op het eind van de 18e eeuw toepaste en na uitbreiding van de mijnbouw werd ook het aantal ongevallen bij het werk groter. In de overlijdensregisters van de St. Lambertusparochie te Kerkrade zijn 34 aantekeningen van mijnongevallen met dodelijke afloop in de periode 1760-1796. In 1760 was er een ontploffing waarbij vijf mensen om het leven kwamen; in de periode 1770-1779 stierven vier man in de mijn; van 1780-1789 stierven er zes man. En van 1790-1796 kwamen al 19 personen uit de parochie van Kerkrade in de mijnen om het leven.

De silicose speelde tot in de 19e eeuw, zolang er met handwerktuigen gewerkt werd, geen wezenlijke rol.

www.limburgsemijnen.nl"Gegevens verzameld door N. Moonen"

Bron: diversen boeken wij danken de auteurs en uitgevers  van deze boeken.

 

 

8. Het mijnrecht.

www.limburgsemijnen.nl"Gegevens verzameld door N. Moonen"

Bron: diversen boeken wij danken de auteurs en uitgevers  van deze boeken.

Volgens Romeins recht kon de grondeigenaar in zijn eigen terrein ongehinderd delfstoffen ontginnen. Iemand anders dan de eigenaar van de oppervlakte kon tegen betaling van een vergoeding een mijn ontginnen. Vanaf de 4e eeuw reserveerde de Romeinse Staat voor zich het monopolie voor de mijnen. Particuliere exploitatie werd toegestaan, gewoonlijk tegen een vergoeding van 1/10 van de opbrengst. Vaak strekten de delfstoffen zich uit onder het grondbezit van verschillende eigenaren. Daarom werd ernaar gestreefd om een scheiding te maken tussen het recht op de ondergrond en dat op de bovengrond. Overal waar de mijnbouw tot ontwikkeling kwam, zag men dan ook dat de vorst of de staat het beschikkingsrecht over de mineralen aan zich probeerde te trekken.

Vanaf het begin van de 12e eeuw trachtten de Duitse keizers dit beschikkingsrecht (het mijnregaal) te verkrijgen. Dit wil zeggen dat zij het recht wilden krijgen om een mijnontginningsrecht, een mijnconcessie, te verlenen. Aan de reeds bestaande regalen (munt-, belasting-, visserij-, jacht- en maalregaal) werd ook het mijnregaal toegevoegd. Aanvankelijk strekte dat zich slechts uit tot de ontginning van edele metalen en zout; later kwamen er ook de overige metalen bij.

Door de afname van de keizerlijke macht en de toename van de macht van de landvorsten ging het streven om mijnconcessies te verlenen op de laatsten over. Het werd op 9 januari 1356 bevestigd door de gouden bul van Karel VI waardoor dit recht aan de keurvorsten werd toegekend. Later kwamen ook kleinere vorsten in het bezit ervan.

In de Nederlanden werden mijnexploratie- en exploitatierechten (concessies) onder de naam octrooien verleend. Een deel van de winst en later ook een vaste jaarlijkse cijns moest aan de koning van Spanje worden afgestaan.

Tot de mineralen waarover het mijnregaal zich uitstrekte, werd steenkool aanvankelijk nog niet gerekend. Want steenkool was toen nog te weinig bekend.

Ongeveer vanaf de Akense kolenverordening van 1541 eiste de stad Aken het beschikkingsrecht over de steenkool voor zich op. Sedert 1688 geschiedde hetzelfde door de hertog van Gulik voor de steen- kolenmijnen van het Amt Wilhelmstein waarin Bardenberg gelegen is. De heren van het land Ter Heyden - een leen van Gulik - hebben van 1723-1778 getracht dit eveneens te bereiken. Maar zij slaagden er niet in door het verzet van de ingezetenen. Van invloed zal hierbij zijn geweest dat in het naburige Luikse en Limburgse gebied, met Daelhem en het land van Rode inbegrepen, het recht van de grondeigenaar op de steenkolen van de ondergrond gehandhaafd bleef.

Dit werd vastgesteld door het vorstelijk bisdom Luik bij de zogenaamde Paix de St. Jaques van 1487 door Jehan de Horne, bisschop van Luik. Voor het hertogdom Limburg, het graafschap Daelhem en het Land van Rode kwam op 16 november 1688 een voorlopige regeling tot stand. Ze werd definitief vastgesteld in het Algemeen Reglement van 1 maart 1694 door Karel II van Spanje, hertog van Limburg. Dat voorlopige reglement werd gegeven naar aanleiding van een op 9 oktober 1681 aan Lambert de Xhenemont verleende concessie voor het ontginnen van steenkool met behulp van een ontwateringskanaal. In dit voorlopige reglement werd bepaald dat aan de eigenaar van de bovengrond gratis iedere 10e mand kolen ter beschikking moest worden gesteld. Ook moest hem schade aan de oppervlakte tengevolge van de mijnwerken tegen dubbele grondwaarde worden vergoed.

Het Steenkolenontginningsrecht tot de invoering van de Franse mijnwet.

Volgens artikel 1 van het Algemeen Reglement voor het Mijnbouwwezen mocht de grondeigenaar zelf de steenkool winnen. Hij moest de ondergrondse grenzen respecteren en mocht niet in de gronden van zijn buurman delven zonder diens toestemming.

Volgens artikel 55 van hetzelfde mijnreglement behoorden de mineralen onder gemeentegrond toe aan de koning. Voor het durchfahren van de gronden onder gemeenteland, openbare wegen en rivieren, evenals voor het afvoeren van het grondwater naar de rivieren was goedkeurig vereist. Ook moest hiervoor een vergoeding geschonken worden aan de koning. Van een verdere belasting is in latere tijd nooit meer sprake.

Toen later de abdij Kloosterrade op eigen kosten de mijnbouw onder haar uitgestrekte bezittingen ter hand nam, wist zij door te zetten dat aan haar alleen in het Land van Rode tegen een behoorlijke vergoeding het recht verleend werd om onder gemeentegrond tot mijnexploitatie over te gaan. In de twee hierop betrekking hebbende besluiten van Maria Theresia, van juli 1766, staat dat de abt van Kloosterrade en zijn opvolgers het recht zullen bezitten steenkolen te exploiteren onder openbare wegen en gemeentegronden in het Land van Rode, zoals de staat zelf dit recht toekomt. Nadrukkelijk wordt nog vermeldt dat de abdij een dusdanige exploitatie ook aan andere ondernemers kan toestaan en dat zij in dat geval de erfpenning mag heffen.

De grondeigenaar kon de ontginning ook aan anderen toestaan tegen betaling van de zogenaamde erfpenning (ook wel erfgeld). Dit is een zeker deel van de gewonnen kool, en wel voor alle kolenlagen of voor een enkele laag, eventueel beneden een bepaald niveau. De erfpenning werd vastgesteld door onpartijdige mijndeskundigen. Deze deskundigen waren de beëdigde Kohlwieger die door de verschillende rechtbanken van het land erkend werden. (De rechtbanken in het Land van Rode waren: de schepenbank te Kerkrade en de hoofdjustitie te Herzogenrath). Maatstaven voor het vaststellen ervan waren de hoeveelheid kool, de diepte, grondwatermoeilijkheden, enz. Voorlopig werd de erfpenning voor lagen van 1-2 voet dikte bepaald op de 81e hond, voor lagen van 2-3 voet dikte op de 41e hond en voor lagen van 3-4 voet dikte op de 21e hond. De erfpenning werd in natura betaald met kolen zoals die uit de mijn kwamen; deze steenkool mocht de grondeigenaar zelf verkopen.

Ter vergoeding van oppervlakteschade had de grondeigenaar ook recht op de dubbele grondhuur. Die huur moest jaarlijks betaald worden. Verder was het een oud gebruik om aan de grondeigenaar een bepaalde hoeveelheid kool in natura te geven. Dit was eveneens ter vergoeding van oppervlakteschade. Die hoeveelheid steenkool was één schachthond. In 1767 werd de schachthond dagelijks geleverd wanneer de kolenproductie per dag meer dan 150 manden bedroeg. Was de productie minder, dan werd 2 of 3 maal per week een schachthond geleverd.

Wanneer een ondernemer van de grondeigenaar toestemming verkregen had om onder diens grond en bodem met schuppen, hacken ende bickeln volgens den voorvallende ganck ende stranck te werken, dan was hij verplicht om terstond met de arbeid te beginnen. Als dit niet gebeurde, of als het werk meer dan zes weken bleef stilliggen, dan was de grondbezitter gerechtigd aan een ander het exploitatierecht te verlenen. Alleen oorlog en besmettelijke ziekten konden een langere stilstand van het bedrijf rechtvaardigen. Van de kant van de staat was een zeker beschikkingsrecht niet geheel uitgesloten. Artikel 10 van het Algemeen Mijnreglement van 1694 bepaalde namelijk dat iedereen die onder vreemde gronden kolen wilde delven, de eigenaar - als deze geen toestemming wilde verlenen - door de rechter kon laten dwingen om binnen zes weken zelf met de exploitatie te beginnen.

Een grondeigenaar kon ook zijn grond verkopen en het recht op de kolenontginning onder die grond behouden. Het recht op de bovengrond kon dus gescheiden worden van dat op de ondergrond.

Juridische positie van Kloosterrade inzake de mijnbouw. Bij het grondbezit van de abdij zijn twee soorten van onroerende goederen te onderscheiden:

1) Goederen, in direct bezit en beheer van de abdij.

2) De erf- en cijnsgoederen van Kloosterrade; deze goederen stonden onder het laathof van de abdij.

Vanzelfsprekend had de abdij het exploitatierecht onder de sub 1) genoemde gronden. Anders was het met de onder 2) genoemde goederen. Door erfpacht waren zij in andere handen overgegaan. Zij stonden slechts zeer los met Kloosterrade in verband, namelijk doordat zij aan het laathof van de abdij verbonden waren. Bezitters van zulke erf- en cijnsgoederen probeerden soms, - op grond van hun vrij beschikkingsrecht over de oppervlakte, - ofwel zelf onder deze gronden te ontginnen ofwel van de ondernemers de "erfpenning" te verlangen. In alle gevallen heeft de abdij ingegrepen en haar recht weten door te zetten. 

Het mijnrecht sedert het einde van de 19e eeuw 

Op 29 mei 1801 werd de Franse mijnwet (van 28 juli 1791) hier ingevoerd. Daarmee verviel het Algemeen Reglement voor de Mijnbouw van 1 mei 1694.

Door de ontwikkeling van de mijnbouw in Zuid-Limburg was het nodig enkele wijzigingen in de mijnwet van 21 april 1810 aan te brengen. Dit gebeurde in 1904 (wet van 27 april 1904, Stbl 73: mijnwet 1903). Deze wet trad in werking op 1 november 1906 (KB 24 sept. 1906, Stbl 249).

Bij deze wet werden regels gegeven volgens welke in afwijking van art. 5 van de wet van 1810 een concessionaris nalatig verklaard kon worden in de behoorlijke ontginning van een mijn. Hierna kon in afwijking van artikel 7 van deze wet tot openbare verkoop van de mijn worden overgegaan. Door de Staat kon dan 25% van de netto opbrengst worden ingehouden. In geval van toewijzing aan de Staat kon de concessie bij Koninklijk Besluit worden ingetrokken (art. 1-7).

 www.limburgsemijnen.nl"Gegevens verzameld door N. Moonen"

Bron: diversen boeken wij danken de auteurs en uitgevers  van deze boeken.

 

 

7. Franse periode

www.limburgsemijnen.nl"Gegevens verzameld door N. Moonen"

Bron: diversen boeken wij danken de auteurs en uitgevers  van deze boeken.

Op 1 Thermidor an IV (= 19 juli 1796) werden de steenkolenmijnen van Kloosterrade door de Fransen overgenomen (geconfisceerd). Het gehele eertijds aan de abdij toebehorende mijnbedrijf werd geïnventariseerd en de schulden en verplichtingen van het mijnbedrijf werden vastgesteld. Het beheer werd aanvankelijk gevoerd door militaire autoriteiten. Dat ging niet goed en de mijnen raakten in verval. In 1797 werd besloten de oude mijnen op te geven. De mijnbouw werd toen geconcentreerd op het plateau van Kerkrade-Holz. Er werden meerdere nieuwe schachten aangelegd (zoals schacht no.1, schacht no.2, schacht Bonne Espérance, een machineschacht, schacht Bonaparte, schacht La Paix).

In 1814 werd Kerkrade bevrijd van de Franse overheersing. De mijnen kwamen weer aan Nederland. Op 31 mei 1815 kwam een traktaat van grensscheiding tot stand tussen de koning der Nederlanden en de keizer van Oostenrijk. Dit traktaat werd bevestigd bij het Congres van Wenen op 9 juni 1815. uit de samengevoegde mijnvelden van de voormalige abdij Kloosterrade (Rolduc) was door de Fransen de gouvernementsmijn (le Gouvernement de Rolduc) gevormd. Ze was 506 ha. groot. Deze gouvernementsmijn kwam in 1815 in eigendom van de Nederlandse staat als Domaniale Mijn.

De grens tussen Nederland en Duitsland (Pruisen) werd op dat tijdstip gevormd door de rivier de Worm. De ene helft van Herzogenrath werd Nederlands en de andere helft werd Pruisisch bezit. Aan deze situatie werd een einde gemaakt door het grenstraktaat van 26 juli 1816 te Aken tussen de koning der Nederlanden en de koning van Pruisen. Hierbij werd een deel van het gebied langs de Worm aan Pruisen afgestaan (o.a. Kohlberg, Maubach, Pesch, Strass). In plaats van de rivier de Worm werd de Nieuwstraat de grens. Maar de wijziging van de landsgrens had geen nadelige invloed op de Domaniale Mijn. Zij mocht de in Duitsland gelegen kolenvelden (173 ha.) in haar concessie-gebied (totaal 690 ha.) verder ontginnen. Ook mocht de Duitse regering zich onder geen enkel voorwendsel met de exploitatie ervan bemoeien.

www.limburgsemijnen.nl"Gegevens verzameld door N. Moonen"

Bron: diversen boeken wij danken de auteurs en uitgevers  van deze boeken

 

ENKELE GEGEVENS OVER DE STEENKOLENMIJNBOUW

www.limburgsemijnen.nl"Gegevens verzameld door N. Moonen"

Bron: diversen boeken wij danken de auteurs en uitgevers  van deze boeken.

1. De oude mijnbouw.

De mijnbouw in deze streek is heel oud. De Romeinen gebruikten al steenkolen, vermoedelijk afkomstig uit het Wormdal. In een Romeins landhuis uit de 2e eeuw na Christus, gelegen te Vlengendaal bij Bocholtz, is steenkool gevonden in en nabij de stookplaats. Een soortgelijke vondst is ook gedaan bij Luik, tussen de fundamenten van een Romeins landhuis. Daarna horen we meerdere eeuwen niets meer over steenkolen alhier.

In 1113 is de vermelding van Kalculen. Hiermee is mijnbouw in dagbouw bedoeld, en wel in het gebied tussen de Worm en de tegenwoordige Nieuwstraat te Kerkrade. De naam Kalculen is in de volkstaal gebruikt in een Latijns geschrift. Dit wijst erop dat die naam toen al meerdere generaties lang gebruikt werd. De dagbouw moet veel ouder zijn dan het jaar van de vermelding van Kalculen.

Tot in de 14e eeuw bestond de mijnbouw uit het weghalen van kolenlagen in dagbouw, met hakken, schoppen en kruiwagens. Steenkool werd als een minderwaardige brandstof voor de armen gezien; de burgerij stookte hout.

Omstreeks 1400 begon de ondergrondse kolenwinning. In het dal van de Worm werden vanuit de dalwand kleine galerijen, zogenaamde Stollen, de zijwand in gedreven. Deze mijngangen werden vanuit het Wormdal iets omhoog gedreven. Daardoor kon het mijnwater afvloeien. In wilgen korven, die men hond noemde, werden de kolen naar buiten gesleept. Een hond of schachthond is een bepaalde hoeveelheid steenkool welke in een kolenmand ging (75 à 100 kg).

In de 16e eeuw neemt het gebruik van steenkool toe, o.a. omdat in verschillende takken van nijverheid (smeden, kalkbranders, brouwers e.d.) steenkool gebruikt gaat worden. In het midden van die eeuw werden voor het eerst kolen ontgonnen beneden het niveau van de Worm.

In 1537 verkoopt de abt van Kloosterrade een stuk land. Hij behoudt echter voor zich het recht tot steenkoolontginning eronder. Dit wijst erop dat de ontginning van steenkolen toen van belang geacht werd.

De eerste vermelding van diefstal van steenkolen in Kerkrade staat in een oud register over de jaren 1579-1582. Een zekere Dionysius van Nulland had kolen gestolen uit de schuur van Hendrik Randenraedt. Als straf moest Dionysius 26 Brabantse gulden betalen. Dat was in die tijd een grote som geld. Ook dit toont dat steenkolen toen meer waard geacht werden dan in de 12e en 13e eeuw.

 www.limburgsemijnen.nl"Gegevens verzameld door N. Moonen"

Bron: diversen boeken wij danken de auteurs en uitgevers  van deze boeken.

 

 

2. Kloosterrade en de “Koelergeselschappen”

www.limburgsemijnen.nl"Gegevens verzameld door N. Moonen"

Bron: diversen boeken wij danken de auteurs en uitgevers  van deze boeken.

Vroeger was de eigenaar van de bovengrond ook eigenaar van de ondergrond. Hij mocht dus onder eigen terrein kolen delven. Als men kolen ontgon onder andermans grondgebied, moest men daarvoor een bepaalde vergoeding geven. Deze vergoeding noemde men erfpenning. In de loop van de 16e eeuw ontstonden geleidelijk gezelschappen van ondernemers (Koelergeselschappen of Köhler-societeiten). Zij gingen voor gezamenlijke rekening het mijnbedrijf uitoefenen. De kolen werden steeds dieper geëxploiteerd. En daarvoor was een groter bedrijfskapitaal nodig. De grootste grondeigenaar was de abt van Kloosterrade. Negen gezelschappen kregen van de abt het recht kolen te delven onder landerijen van de abdij, gelegen tussen de Anstel en de Worm. De erfpenning varieerde van 1/20 tot 1/12 van de opbrengst.

 In de 17e en 18e eeuw vinden we in het Land van Rode de volgende societeiten:

1. Hanckepanck-Köhler; ontginning van steenkool 1561-1771. Al in de 16e eeuw werden door deze onderneming steenkolen gedolven, in het Hanckepanck- en Spitze-leen. Vanaf 1772 is Kloosterrade in het alleenbezit van het recht op kolenontginning in beide lenen.

2. Bostroper-Köhler; ontginning van steenkool 1643-1741, in het district Bostrop-Pesch.

3. Prick-Köhler; ontginning van steenkool 1645-1741. Zij bewerkten al in 1645 het kolenveld Prick. In 1723 hadden zij in totaal 117 arbeiders. De Prick-gronden behoorden aan de abdij. In 1741 zei abt Rauschaw het verdrag met de Prick-Köhler op en nam zelf de exploitatie ter hand.

4. Herzogenrather- of Wiefelscheidt-Köhler. Begin van de steenkoolontginning circa 1646, in het Ratherveldje en de Muschenwinkel. In 1788 bezat Kloosterrade het alleenrecht van exploitatie.

5. Graeffer- of Heggher-Köhler; ontginning van steenkool 1646-1792. Deze onderneming ontstond tegen het einde van de 17e eeuw. Op 17 oktober 1780 stonden zij hun gronden af aan Kloosterrade. Tot 1792 werden er nog kolen gedolven.

6. Pompenmaecker- of Fouckert-Köhler (voorheen ook: Krehaen-Köhler geheten); ontginning van steenkool, 1657-1793.

7. Köhlergesellschaft St. Nicolas (Sinter Klas); ontginning van steenkool, 1780-1802. Volgens Gierlichs werd deze onderneming in 1793 gesticht. Abt Chaineux bezat "2½ sexte deel" van de aandelen. De overige waren in handen van Winand Vaessen uit Kerkrade. 

Van een eigen mijnbouw van Kloosterrade wordt met zekerheid pas in 1616 melding gemaakt. In dat jaar werden al kolen ontgonnen onder het Wormgebied. Abt Balduinus ab Horpusch liet toen te Steinbusch het water van de Worm opstuwen. Met dat water werd een pomprad in beweging gezet.

De dagproductie (reys) was 6 à 8 wagens kolen; elke wagen bevatte 25 honden. Bij deze productie moest aan de eigenaar van de bovengrond dagelijks één hond geleverd worden.

De abdijmijnen produceerden klare kolen, grove hond en Geriss. Waarschijnlijk zijn die namen gelijk aan Mageran, Stückkohle en Puff. De prijzen ervoor waren resp. 1 2/3 Mark, 1 Mark en 2/3 Mark.

Het benodigde mijnhout werd deels betrokken uit de eigen bossen en deels uit de bossen in de omgeving. IJzerwerk werd o.a. geleverd uit Aken en Luik. Touwen kwamen uit Aken, Maastricht, Luik en Dordrecht.

Vaak ontgon men kolen onder het terrein van de buurman. Dit gaf aanleiding tot moeilijkheden. Bij schending van de Kohlgerechtigheyt werd de hulp ingeroepen van scheidsrechters. Dit waren ervaren mijnwerkers. Zij daalden af in de betrokken mijn en door meting en waterpassing stelden zij de grenzen van de concessie vast. Deze scheidsrechters noemde men coolweger. Voor het eerst worden zij in het Land van Rode officieel vermeld in 1654. Tot hun taak behoorde ook het geven van advies over mijntechnische aangelegenheden.

Bij octrooi van keizerin Maria Theresia van Oostenrijk kreeg de abdij Kloosterrade op 2 januari 1723 het recht tot exploitatie van steenkool onder de openbare wegen in het gebied van Kerkrade. In 1741 besloot abt Rauschaw van Kloosterrade de kolenontgining onder de gronden van de abdij zelf ter hand te nemen. Op 26 september 1742 ging het convent er in principe mee akkoord. Dit was een geluk voor de steenkoolontginning hier. Want de particuliere ondernemingen konden een dure exploitatie niet betalen. De ontginning werd steeds duurder omdat steeds dieper werd ontgonnen. Slechts één mijngezelschap (van de familie Poyck) wist zich te handhaven. Het ambt van coolweger verloor toen steeds meer aan betekenis. Tenslotte verdween het geheel. Een deel van de taak van coolweger ging over op de latere mijnmeters.

Zoals boven vermeld, ging het convent van de abdij Kloosterrade er in principe mee akkoord dat de kolen in eigen beheer geëxploiteerd werden. Maar er werden de volgende voorwaarden gesteld: Kapitalen zouden enkel in geval van nood en dan slechts met goedvinden van het kapittel opgenomen worden. Aan de mijnwerkers moest wekelijks het loon in goed geld (en niet in natura) uitbetaald worden. Behalve een meesterknecht, die de leiding van het bedrijf had, moest een ontvanger of schrijver aangesteld worden. In technische kwesties moest de raad van ervaren mijnbouwkundigen ingewonnen worden. Het grootboek moest stipt en nauwkeurig door de provisor worden gevoerd. 

www.limburgsemijnen.nl"Gegevens verzameld door N. Moonen"

Bron: diversen boeken wij danken de auteurs en uitgevers  van deze boeken.

 

 

DE DOMANIALE MIJN

www.limburgsemijnen.nl"Gegevens verzameld door N. Moonen"

Bron: diversen boeken wij danken de auteurs en uitgevers  van deze boeken.

De Domaniale Mijn was een voortzetting van de oude mijnen van de abdij Kloosterrade. Die oude mijnen waren gelegen in de buurt van Bleyerheide en Strass (D) en de Worm. De abdijmijnen werden in juli1796 (I Thermidor An 4) door de Fransen overgenomen (geconfisqueerd). Door slecht beheer raakten zij toen in verval. In 1797 werd besloten de oude mijnen op te geven. De mijnbouw werd geconcentreerd op het plateau van Kerkrade-Holz. In de buurt van de (thans voormalige) Domaniale Mijn werden meerdere nieuwe schachten aangelegd. In 1814 werd Kerkrade bevrijd van de Franse overheersing. De mijnen kwamen weer aan Nederland. Op 31 mei 1815 kwam een traktaat van grensscheiding tot stand tussen de koning der Nederlanden en de keizer van Oostenrijk. Dit traktaat werd bevestigd bij het Congres van Wenen op 9 juni 1815. Uit de samengevoegde mijnvelden van de voormalige abdij Kloosterrade (Rolduc) was door de Fransen de gouvernementsmijn (Ie Gouvernement de Rolduc) gevormd. Ze was 506 ha. groot. Deze gouvernementsmijn kwam in 1815 in eigendom van de Nederlandse staat als Domaniale Mijn.

De grens tussen Nederland en Duitsland (Pruisen) werd op dat tijdstip gevormd door de rivier de Worm. De ene helft van Herzogenrath werd Nederlands en de andere helft werd Pruisisch bezit. Deze moeilijkheid werd opgelost door het grenstraktaat van 26 juli 1816te Aken tussen de koning der Nederlanden en de koning van Pruisen. Hierbij werd een deel van het gebied langs de Worm aan Pruisenafgestaan (o.a. Maubach, Pesch, Strass). In plaats van de rivier de Worm werd de Nieuwstraat de grens. Maar de wijziging van de landsgrens had geen nadelige invloed op de Domaniale Mijn. Zij mocht de in Duitsland gelegen kolenvelden (173 ha) in haar concessiegebied (totaal 690 ha) verder ontginnen. Ook mocht de Duitse regering zich onder geen enkel voorwendsel met de exploitatie ervan bemoeien.

De Domaniale Mijn werd, zoals boven vermeld, vanaf 1815 door de Nederlandse Staat ontgonnen. In 1826 werd, bij de aanleg van een nieuwe schacht, de eerste stoommachine geplaatst.

De ontginningszetel van de Domaniale Mijn werd door de Nederlandse Staat in 1828 aangelegd. Op 9 oktober 1830 werd deze mijn door een groep opstandelingen uit Heerlen bezet. Ze kwam toen in bezit van de Belgische Staat. In 1839 gingen de Domaniale Steenkolenmijnen weer over in Nederlandse handen nadat het verdrag tot scheiding van Noord- en Zuid-Nederland geratificeerd was. Deze mijn is een Staatsmijn gebleven tot zij in 1846 werd overgedragen aan de Aken-Maastrichtse Spoorweg Maatschappij. Er was veel overlast van water. Hierdoor en door het gebrek aan transportmogelijkheden bleef succes achterwege. In 1842 probeerde de Nederlandse regering om Aken met Maastricht te verbinden via een spoorweg. Deze spoorweg was speciaal bedoeld voor het vervoer van textiel en kolen. Maar de volksvertegenwoordiging gaf geen toestemming. Daarop werd van particuliere zijde de concessie aangevraagd voor de aanleg van die spoorlijn. Als voorwaarde werd gesteld dat de onderneming tevens het beheer van de Domaniale Mijn zou krijgen. De Nederlandse regering willigde deze aanvraag in, maar stelde als eis dat de Domaniale Mijn door een zijspoor met die spoorlijn verbonden zou worden op kosten van die onderneming. Als equivalent voor het grote risico, verbonden aan de aanleg en de exploitatie van een spoorweg in de dun bevolkte en door handel en industrie weinig productieve provincie Limburg, werd door Z.M. koning Willem II bij de wet van 19 juni 1845 het vruchtgebruik van de Domaniale Steenkolenmijnen aan de toekomstige concessionarissen van de lijn Aken-Maastricht voor de tijd van 99 jaar bekrachtigd.

Bij Koninklijk Besluit van 4 september 1845 werden de statuten van de te Maastricht geconstitueerde naamloze vennootschap "Aken- Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij" goedgekeurd. Op 30 januari 1846 volgde de wettelijk vereiste goedkeuring van de statuten van de te Aken onder de naam van "Aachen-Mastrichter Eisenbahn-Gesellschaft" geconstitueerde naamloze vennootschap bij concessie- en bevestigingsoorkonde van Z.M. Friedrich Wilhelm, Koning van Pruisen. Deze beide vennootschappen gezamenlijk hadden tot doel voor gemeenschappelijke rekening bedoelde spoorweg aan te leggen, uitgaande van het vroegere Rheinische station te Aken via Laurensberg naar Maastricht.

Tengevolge van de wet van 19 juni 1845 (Stb. no.29) werd op 4 april 1846 te Maastricht en op 8 april 1846 te 's-Gravenhage de overeenkomst gesloten tussen de Staat der Nederlanden en de Aken- Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij. Voor de tijd van 99 jaar werd het beheer en het genot van de Domaniale Mijn afgestaan aan voormelde maatschappij.

Op 11 mei 1846 werden de Domaniale Steenkolenmijnen door de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij in beheer genomen.

In 1851 kwam de Domaniale Mijn onder het directeurschap van de eerste Nederlandse mijningenieur van der Elst. Tijdens het beheer van deze directeur is de mijn van een noodlijdend en slecht geoutilleerd bedrijf omgebouwd tot een behoorlijk florerende mijn.

De spoorlijn Aken-Maastricht kwam gereed in 1853; de verbinding Simpelveld-Domaniale mijn pas in 1872. Het vervoer van steenkool had aanvankelijk niet veel te betekenen. Ook steeg de productie als gevolg van de spoorwegverbinding niet noemenswaardig.

Al in 1858 en vervolgens in 1873 werd door de Maatschappij een verzoek ingediend tot uitbreiding van het mijnveld. In 1875 werd daarop 250 ha voor uitbreiding van het Domaniale mijnveld gereserveerd. Dit terrein werd toen, behalve een klein gedeelte waarop door de concessionaris van het mijnveld Ernst een boring was uitgevoerd, aan het Domaniale mijnveld toegevoegd. Ook werd toen een kleine vergissing hersteld. Bij de verlening van de mijnconcessie Willem was nl. ten onrechte een betrekkelijk klein deel van het Domaniale mijnveld bij de concessie Willem gevoegd. De Aken- Maastrichtsche Spoorwegmaatschappij deed in 1875 afstand van de ontginningsrechten onder dit gedeelte. (Het was gelegen tussen de boven- en benedenarm van de Molenbeek). De overeenkomst met de Aken-Maastrichtsche Spoorwegmaatschappij gaf telkens aanleiding tot moeilijkheden ten aanzien van het vaststellen van de zuivere opbrengst. Bij deze Maatschappij bestond nl. de neiging om kapitaaluitgaven, zoals verdiepen van schachten voor een volgend ontginningsniveau, in goede jaren op de onderhoudsrekening te plaatsen, zodat dan minder aan de Staat uitgekeerd hoefde te worden. Zo bleef de gemiddelde uitkering aan de Staat in de periode 1870-1879 op hetzelfde niveau als in de periode 1814-1843 (ongeveer f 3456,-).

In 1881 werd de overeenkomst van 1846 gewijzigd. De verhouding tussen de Staat en de Concessionarisse werd naar een andere maatstaf geregeld met betrekking tot de winstverdeling. Dit bleek later een ernstige belemmering te zijn voor de ontwikkeling van de exploitatie. Want de omstandigheden waren intussen helemaal veranderd.

De concessie Charlotte, in 1891/92 vervallen, werd gereserveerd voor uitbreiding van het Domaniale mijnveld.

Vanaf 1911 was er bij de regering op aangedrongen het bestaande contract te wijzigen, maar zonder succes voor de Maatschappij.

Op 21 april 1913 werd een wetsvoorstel ingediend tot overdracht van de mijnrechten van de Staat aan de Aken-Maastrichtsche Spoorwegmaatschappij met ingang van 1 januari 1911. Deze maatschappij zou dan de mijn verkrijgen alsof haar volgens de mijnwet van 1810 concessie verleend was. Dit wetsontwerp werd echter op 20 februari 1915 ingetrokken.

In 1919 werd een overeenkomst bereikt tussen de Staat en de directie van de Aken-Maastrichtsche Spoorwegmaatschappij. De rechten van de maatschappij zouden aan de Staat worden overgedragen voor f 3.000.000,-. Maar deze overeenkomst werd door de vergadering van aandeelhouders verworpen.

In 1921 leed de maatschappij een groot verlies. Zij verlaagde daarom de lonen die beneden het in Limburg geldende peil kwamen. Dat gaf aanleiding tot werkstaking in augustus van dat jaar. Het algemeen belang eiste gezonde arbeidstoestanden en een goede exploitatie. Daarvoor was een wijziging nodig van de overeenkomst. Want de maatschappij kon onder de bestaande toestand geen nieuwkapitaal verkrijgen voor modernisering van de installaties. Het wetsontwerp van 25 maart 1922 om de toestand te verbeteren werd op 27 april 1923 verworpen. Eindelijk werd in februari 1925 een nieuwe overeenkomst gesloten, die bij wet van 28 mei 1925, Staatsblad no.203 bekrachtigd werd. De verhouding tussen de Staat en de Maatschappij werd opnieuw geregeld. De te betalen royalties werden verlaagd.

In juni d.o.v. werd de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij - die sedert 1867 geen spoorlijn meer exploiteerde - omgezet in de Domaniale Mijn Maatschappij N.V., gevestigd te Kerkrade. Zij was een geheel Nederlandse onderneming. Deze exploitatie-overeenkomst werd in juni 1952 verlengd tot 31 december 1982; deze verlenging werd goedgekeurd bij de wet van 10 februari 1954.

In 1856 was het "Fonds tot ondersteuning van de arbeiders in dienst bij de Domaniale Steenkolenmijnen te Kerkrade" gesticht. In de periode van omstreeks 1925-1934 waren daar moeilijkheden ontstaan; er was te weinig geld voor de uitkering van de in uitzicht gestelde pensioenen. Door de lage royalty over de jaren 1934-1937 werd de Dom. Mijn Mij NV in staat gesteld een belangrijk bedrag voor de liquidatie van het pensioenfonds ter beschikking te stellen.

Op 23 oktober 1853 kwam de lijn Aken-Maastricht in gebruik. Zij was de derde spoorlijn in Nederland. Met de aanleg van het zijspoor werd geen haast gemaakt wegens geldgebrek. De kolen van de mijnen van Kerkrade gingen daarom per paardewagen naar Kohlscheid (D). Daar gingen zij met de trein naar Aken en vandaar weer naar Neder- land. Pas in 1880 kwam het zijspoor Domaniale-Simpelveld gereed. Bij de aanleg van het zogenaamde Miljoenenlijntje in 1934 werd het gedeelte Simpelveld-Spekholzerheide aan de Nederlandse Spoorwegen verkocht. In 1868 werd de stoompomp van 1828 vervangen door een nieuwe. Daarmee was de toekomst voor de Domaniale mijn verzekerd, aldus een mededeling uit die tijd.

Na 1870 kwam er een nieuwe concessie bij (met schacht Beeren-busch).

In 1880 werden de in 1846 vastgestelde, beperkende bepalingen voor de prijzen en de productie opgeheven, Een nieuwe overeenkomst, welke liep tot 31 december 1952, werd aangegaan. Volgens die overeenkomst moest per ton gewonnen kool f 0,50 vergoeding aan de Staat betaald worden. De overeenkomst werd op 31 december 1952 verlengd. De te betalen vergoeding bedroeg toen f 0,20 per ton gewonnen kolen.

In 1958 begon zich een structurele kolencrisis af te tekenen. In dat jaar werkten er op de Domaniale zo'n 3000 man en er werd 480.810 ton steenkolen gedolven. Die kolencrisis had als oorzaken: Amerikaanse kolen die in dagbouw ontgonnen werden en die onder invloed van lage transportkosten goedkoper waren dan onze eigenkolen. Verder ontplooide zich een voortdurend ontwikkelende olie-industrie; Rotterdam was de grootste aanvoerhaven voor aardolie in West-Europa geworden. De opmars van het aardgas uit Slochteren in de jaren zestig maakte een toekomst voor de steenkolenmijnen verder illusionair. Desondanks werd in 1960 het concessiegebied nog uitgebreid door aankoop van de concessie Neuprick (85 ha.).

De Nota Den Uyl (minister van Economische Zaken) van 14 december 1965 bevatte het besluit om de steenkoolontginningen stop te zetten, en wel in een zodanig tempo dat tijdig voor vervangende werkgelegenheid gezorgd kon worden om het afvloeiende personeel op te vangen.

In 1966 nam de Nederlandse Staat de aandelen over en werd daar- mee de grootste aandelenhouder van de Domaniale steenkolenmijn. Daardoor bepaalde zij het tijdstip en het tempo van de sluiting.

In 1969 werd de kolenproductie beëindigd. De oppervlakte van de concessie was bij de sluiting 885 ha. (inclusief Neu-Prick en Bleyerheide).

Produktieschachten vanaf An XI (1802):

* schacht Philippe; stilgelegd vóór Vendémiaire An XI.

* Fosse 1; in bedrijf van vóór Vendémiaire An XI tot 16 mei 1815. - In An XI is er sprake van een ancienne en nouveIle Fosse 1. Deze Fosse 1 bestond uit drie stukken; het onderscheid in oud en nieuw heeft zeer waarschijnlijk daarop betrekking.

* Fosse 2; in bedrijf van vóór Vendémiaire An XI tot september 1816.

* schacht Bonaparte; in bedrijf van vóór Vendémiaire An XI tot maart 1811.

* schacht Bonne Espérance; in bedrijf van februari 1810 tot maart 1813.

* schacht Nouvelle Bonaparte, later Paix genoemd; in bedrijf van maart 1814 tot 1828.

* schacht NouveIle Espérance, ook Guillaume genaamd; in bedrijf vanaf september 1816 tot 1828. - Volgens een kaart uit 1819 is deze schacht gebouwd boven op een "puit intérieure" van de (oude) Espérance.

Verdere schachten:

* Schacht Neulandt I; in bedrijf na 1808; gestopt op 1 januari 1828; gevuld in 1920.

* Schacht Willem I (Grand Bure); aanleg 1827 of 1828; maaiveld ca. + 165,00 m A.P.

* Schacht Neuland; aanleg ca 1828; rechthoekig; 2,00 x 4,60 m.

* Schacht Louise; aanleg 1856.

* Schacht Susanne; 1857.

* Buizenschacht; aanleg 1904; maaiveld ca. 165,00 m A.P.

* Schacht Beerenbosch I; aanleg 1905; maaiveld ca + 149,00 m A.P.

* Schacht Nulland (Neuland II); met afdiepen gestart in 1907 (zinkschachtmethode); inwendige doorsnede 3,80 m; maaiveld ca +156,20 m A.P.

* Schacht Beerenbosch II; aanleg 1917; maaiveld ca 149,00 m A.P.

* Schacht Willem II; aanleg 1927-1928; maaiveld ca. + 165,00 m A.P.

* Nieuwe schacht in veld Neu-Prick, in 1962; doorsnede 4,00 m.

* Schacht Baamstraat; aanleg 1967 (wegens de aankoop van de concessie Neu-Prick-Bleyerheide noodzakelijk voor een goede luchtcirculatie); maaiveld + 126,90 m N.A.P.; dekterrein 14,20 m. De bodem van de schacht (+ 105,90 m N.A.P.) is de vloer van koollaag Merl. (De gemiddelde dikte van laag Merl = 220 kool; helling van de laag 2-5 graden).

Deze schacht werd door de firma Laeven uit Heerlen, door middel van de zinkschacht-methode, in 1962 afgediept in het dekterrein en rond gebetonneerd. In het Carboon werd een vierkanten ijzerbetimmering aangebracht, 2,75 x 2,40 m. Deze schacht diende als materiaal- en vulschacht.

Na de sluiting van de Domaniale mijn werd de schacht in 1967 gevuld met 150 m3 wasserijstenen.

Door de aanleg van de structuurweg werd het nieuwe maaiveld ca. + 141,50 m N.A.P. Er werd een vierkante koker op de schacht geplaatst en met split gevuld, voorzien van een gedenkplaat.

Het bovengrondse bedrijf van de Domaniale was door middel van zes schachten met het ondergrondse bedrijf verbonden, namelijk: - schacht Willem I. Dit was een vervoerschacht.

- Buizenschacht (nabij schacht Willem I); dit was een uittrekkende ventilatieschacht.

- schacht Willem II. Het was een zogenaamde dubbele schacht, met twee vervoerafdelingen.

- schacht Beerenbosch II (ventilatieschacht).

- schacht te Nulland (ventilatieschacht).

De Domaniale Mijn had 13 verdiepingen: 40-m verd. + 122,00 m A.P. (scht. Willem I)

= Krehaenskanaal (hist) voor afwatering naar de Worm).

60-m verd. + 92,80 m A.P. (scht. Nulland).

75-m verd. + 74,90 m A.P. (scht. Beerenbosch I + II).

75-m verd. + 91,00 m A.P. (scht.WillemI).

110-m verd. + 66,10 m A.P. (scht. Willem I + II).

150-m verd. + 24,80 m A.P. (scht. Willem I + II).

150-m verd. + 28,50 m A.P. (scht. Nulland).

200-m verd. -23,50 m A.P. (scht. Willem I + II).

260-m verd. -85,50 m A.P. (scht. Willem I + II).

280-m verd. -107,50 m A.P. (scht. Beerenbosch I + II).

330-m verd. -155,00 m A.P. (scht. Willem I + II).

380-m verd. -210,00 m A.P. (scht. Willem I+II, scht. Beerenbosch I+II).

500-m verd. -330,00 m A.P. (scht. Willem II, scht. Beerenbosch I+II).

620 m verd. -451,60 m A.P. (scht. Willem II).

800 m verd. -633,60 m A.P. (scht. Willem II).

In de periode van 1900 tot 1914 steeg de productie van 124.530

ton tot 444.574 ton. Van 1931 tot 1933 liep de steenkolenproductie

van de Domaniale steenkolenmijn op tot 1 miljard ton.

In 1969 werd de kolenproductie van deze mijn beëindigd.

-=000=-

Nulland

In 1799 werd een voorlopige concessie verleend voor een mijn op het plateau van Nulland. Na de vrede van Luneville in 1801 werd de eis gesteld dat alle voorlopig verleende concessies opnieuw moesten worden aangevraagd. Daartoe behoorde ook de concessie "Nulland". Op de kaart van de concessies staan twee schachten getekend aan weerszijden van de Nullanderstraat, nabij hoek Kruisstraat. Beide schachten zijn nieuwe schachten.

Bij Keizerlijk Decreet van 2 februari 1808 werd een aanvraag om concessie voor de mijn Nulland afgewezen. Het omstreden terrein werd, samen met een deel van de Prickkoul, toegewezen aan de Gouvernementsmijn. Maar Nulland mocht doorwerken tot men schadeloos gesteld was door de Gouvernementsmijn.

In 1822 werden behalve de twee te Nulland genoemde schachten nog twee andere schachten genoemd. De ene heette "Bur de Neuland" en de andere "Bur d'air", dus respectievelijk Neulander schacht en lucht- schacht. Deze laatste schachten waren gelegen ten westen van de Kipstraat op het plein voor de Maria Gorettikerk, vlak bij de tegenwoordige schacht Nulland.

Omstreeks 1828 worden op de Domaniale Mijn twee nieuwe schachten afgediept: schacht Willem (Grande Bur) en schacht Neuland. Op een tekening uit 1836 staat deze laatste schacht aangegeven als rechthoekig (2 x 4,60 m) met diagonale afscheiding tussen ventilatie- en ladderafdeling (klimschacht).

Tijdens herstelwerkzaamheden, in 1862, in het bovenste deel van schacht Neuland volgde een doorbraak van drijfzand. De bovengrond kwam in beweging en een gedeelte van het schachtgebouw stortte in de schacht. De luchtverversing in de mijn raakte ontregeld.

Het herstel van deze luchtschacht was pas in 1874 gereed. In 1919 werd boven de 84 m-verdieping in de schacht een betonnen prop aangebracht. En in 1920 werd hij tot aan het maaiveld met aarde gevuld. De gebouwen werden merendeels gesloopt.

Schacht Nulland (Neuland II)

Om de voorraad ontginbare kolen in de lagen Merl, Gross- en Klein Muhlenbach en Steinknipp te kunnen ontginnen, moest een goede ventilatie gemaakt worden. Een verbinding via een steengang van 400 meter lengte tot aan schacht Neuland zou 2 3 jaren duren. De kosten ervan werden geraamd op 66.000 Mark. Als alternatief werd door de directie voorgesteld om een nieuwe ventilatieschacht af te diepen tot 100 m diepte. De kosten ervan werden geraamd op 58.000 Mark.

De schachttoren van Nulland is ontworpen en in 1907 gebouwd door Ir. Th.H.Fr.Wilhelm Husmann. Hij was van 1906 tot 1932 technisch direkteur van de Domaniale Mijn te Kerkrade.

Begin 1907 werd met het afdiepen gestart volgens de zinkschachtmethode. In 1915 werden bovengronds 4 stoomketels geplaatst elk t.b.v. een ophaalmachine en een ventilator. Na het gereedkomen van de schacht tot de 260 m-verdieping, in 1919, werd nog een 2e ventilator inclusief stoomketel geplaatst. Vanaf toen nam deze schacht volledig de taak van de "oude" schacht Neuland over. Deze schacht werd ook gebruikt voor het vervoer van personen werkzaam in het westveld. Bovengronds werden daartoe gebouwd een badlokaal, lampisterie en opzichterslokaal. Vanaf 1921 kwamen de oorspronkelijke plannen om van schacht Nulland een productieschacht te maken in een stadium van daadwerkelijke realisatie. De toren boven de schacht werd verhoogd en van schoorbogen voorzien; er werd een losvloer gebouwd met laadinrichting; kortom het werd een echte schachtbok. Maar het kwam niet tot volledige realisatie. De schacht bleef dienst doen voor personenvervoer en materiaaltransport, maar de belangrijkste taak was als ventilatieschacht.

Nog in 1966 werd de schacht vanuit de 260 m-verdieping verder afgediept naar 370 meter diepte. Daar ontmoette hij een steenhelling. Maar nog in hetzelfde jaar werd het besluit genomen om de Domaniale Mijn te sluiten. Eind augustus 1969 werden de laatste kolen uit de Domaniale mijn gedolven en daarmee was ook het lot van schacht Nulland bezegeld.

In 1970 werd de schacht vanaf de 63 m-verdieping tot aan het maaiveld volgestort met beton en in 1971 werden alle gebouwen rond de schacht gesloopt, met uitzondering van de schachtbok.

Na restauratie is schacht Nulland tot monument verklaard.

www.limburgsemijnen.nl"Gegevens verzameld door N. Moonen"

Bron: diversen boeken wij danken de auteurs en uitgevers  van deze boeken.