Home   Brievenrubriek   Medewerking   Vragen   Onderhoud site   Links   Bronnen   Contact   Auteursrechten   Alle fotoalbums

Rijwielplaatjes - Limburgse mijnen

 

Met dank aan Cor de Jong voor het onderstaand artikel en plaatjes

 

 

Wellicht zijn er nog mijnwerkers die zo'n plaatje thuis hebben liggen er zijn beried me een foto ervan door te sturen. alvast bedankt hiervoor

STAATS & PARTICULIERE MIJNEN;  RIJWIELPLAATJES met Mijncode en Werknummer

Als diefstalpreventie of terugbezorging bij verlies, konden de mijnwerkers tegen betaling van hfl. 0.10  / 0.05 hun naam plus werknummer in de plaatjes laten ponsen.  Tal van plaatjes dragen dus de naam van de gebruiker, alsmede afkorting van de naam van de Mijn waarin of waarop zij werkzaam waren, plus hun werknummer.  (verdere aanduiding:  Mijncode & Werknummer)

                                                                                                                                                                       (bijgewerkt tot dd. 24-04-2010) 

A                                             staat voor ………………………….? 

B                                             staat voor ………………………….? 

CE                                          staat voor Cokesfabriek Emma te Hoensbroek - Treebeek

CFE                                        ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,, 

CF.E.                                      staat voor ……………………………. Brunssum 

CFM                                       staat voor Cokesfabriek Maurits te  Geleen Lutterade

CM                                         ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,

MC                                         ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,

 

E                                             staat voor Staatsmijn Emma te Hoensbroek Treebeek

EA                                          ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,

EM                                          ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,, 

 

H                                            staat voor Staatsmijn Hendrik te Brunssum - Rumpen

HE                                          ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,

HK                                          ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,, 

 

M                                            staat voor Staatsmijn Maurits te Geleen Lutterade

MA                                          ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,

MS                                          ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,, 

 

MSM.H                                   staat voor ………………………… Elsloo

 

ON I,                                       staat voor particuliere Mijn Oranje Nassau       te Heerlen

ON 1                                      ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,

ON II,                                     ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,               te Heerlen Schaesberg

ON 2                                      ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,

ON 3                                      ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              te Heerlerheide

ON 4                                      ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              te Heerlen Heksenberg

 

Politie

Staatsmijnen                         staat voor de Mijnpolitie van de Staatsmijnen

 

Radio                                     Radio Begas

 

SB                                          staat voor Stikstof Bindingsbedrijf     te Geleen  - Lindenheuvel

SBB                                        ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,                                                

 

W                                           staat voor Staatsmijn Wilhelmina te  Terwinselen

WA                                         ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,

WH                                         ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,,              ,, 

 

WS                                         staat voor Staatsmijn  Willem Sophie te Spekkolzerheide

 

..?                                       staat voor particuliere Domaniale Mijn te Kerkrade

 

 

..?                                       staat voor particuliere Laura en Julia Mijn te Eygelshoven

 

..                                         staat voor Staatsmijn Beatrix te Roermond Herkenbosch / Vlodorp

                                               (deze Mijn bestaat van na 1941, dus geen rijwielplaatje

 

 

 

Het ontstaan van de

rijwielbelasting 

Toen het rijwiel in Nederland meer en meer gemeengoed begon te worden en de overheidsbemoeienis met de fiets dienovereenkomstig ging toenemen, kwam ook een belasting op rijwielen aan de orde. Frankrijk, waar het fietsen ook populair was, had op dit terrein reeds het voorbeeld gegeven. Op 15 augustus 1869 stelde een Frans Kamerlid reeds  voor een belasting van 50 franc per jaar te heffen op het bezit van een rijwiel. Dit voorstel werd door de regering niet overgenomen, maar werd in 1890 opnieuw aan de orde gesteld. In februari 1893 werd door Chambreer des Députés met 300 tegen 175 stemmen een desbetreffend voorstel aangenomen. Het bezit van een rijwiel werd met 10 franc per jaar per rijwiel. 

Het Rijwielbelastingplaatje in vogelvlucht

Fietsenplaatje, Belastingplaatje, Rijwielplaatje en Colijnpenning waren wel de meest voorkomende benamingen die de mensen gebruikten voor de officiële benaming van het  “Rijwielbelastingmerk”.

Met de enorme toename van het aantal rijwielen aan het einde van de negentiende eeuw zag de overheid zich genoodzaakt het toen bestaande wegennet grondig aan te passen. Wegen dienden bestraat te worden en rijwielpaden aangelegd. Dat bracht kosten met zich mee, die de overheid wilde verhalen op degenen waarvoor de kosten gemaakt werden; “de wielrijder”. Voor zover bekend, was de gemeente Gouda (1892) de eerste gemeente die een eigen fietsbelasting invoerde van hfl 5.= ( € 2.27) per kalenderjaar, later gevolgd door de stad Enschede in 1895 met hfl 6.= ( € 2.72 ) per jaar. Brielle met hfl 4.= ( € 1.82 ) per jaar en de provincie Noord Brabant met hfl 5.= ( € 2.27 ) per jaar, uitsluitend voor de provinciale wegen.  De steden Amsterdam en Rotterdam hadden vergevorderde plannen om ook zo’n belasting op rijwielen te gaan heffen, maar het is daar niet van gekomen.

In het parlement werd aangedrongen op een landelijke regeling en op 1 februari 1897 werd voor het eerst belasting op rijwielen geheven door de regering. Deze belasting was gekoppeld aan de personele belasting. De heffing bedroeg hfl 2.= ( € 0.91 ) per kalenderjaar voor een rijwiel dat voor het vervoer van één persoon geschikt was en hfl 4.= ( € 1.82 )  voor meerpersoonsrijwielen. In het jaar 1919 was het parlement van oordeel, dat het houden van een rijwiel niet beschouwd kon worden als een kenmerk van welstand en werd deze belastingvorm afgeschaft. Er waren toen maar liefst 861.500 rijwielen waarover belasting werd betaald. De Nederlandse wielrijders hebben van 1919 tot en met 1923 vrij rond kunnen rijden.

Geruime tijd  voordat een nieuwe wet in de Kamer werd gebracht, had de minister van financiën  contact met de muntmeester van ’s Rijksmunt te Utrecht over de fabricage van de rijwielbelastingplaatjes. Op 8 oktober 1923 zond de minister een Frans rijwielbelastingplaatje van het jaar 1923 (geleend van de ANWB) aan de muntmeester met het verzoek een ongeveer gelijk model  voor de te verwachten Nederlandse rijwielbelasting te maken. Het plaatje moest worden voorzien van geheime tekens aan voor en achterzijde om eventuele vervalsingen te kunnen bewijzen. 

 In 1924 kwam de minister van financiën dr. H. Colijn, in de publiciteit met een vernieuwde vondst die hem in staat moest stellen om de benarde financiële positie van het Koninkrijk Der Nederlanden te verbeteren. In het Staatsblad nummer 306 van 2 juli 1924 kondigde de minster een wet af die de geschiedenis is ingegaan als de “Rijwielbelastingwet”. Vanaf 1 augustus tot en met 31 december ( slechts 5 maanden) moest er hfl 3.= ( € 1.36 )  worden betaald; niet per fietser maar per rijwiel. De volgende jaren, per kalenderjaar, tot en met 1928. De opbrengst voor het eerste belastingjaar bedroeg maar liefst hfl 5.330.247.= ( €  2.418.760.60 )

Nadat de geldigheidsduur van het plaatje 1928 was verstreken werd de wet op enkele punten gewijzigd. De prijs van hfl 3.= ( € 1.36 ), zoals die ook in de voorgaande jaren was gesteld, werd teruggebracht tot hfl 2.50 ( € 1.13 ) en vanaf 1929 zouden  er steeds twee jaartallen op de plaatjes voorkomen. Ook het tijdvak van geldigheid werd aangepast van 1 augustus tot en met 31 juli daarop volgend, zodat de gebruiker het plaatje kon aanschaffen van zijn vakantiegeld.

 

In de wet waren enkele vrijstellingen opgenomen te weten kinderfietsjes met een wielomvang van maximaal 5 cm. en omkleed; anders dan met luchtbanden (lees kinderspeelgoed), aangepaste fietsen voor gehandicapten en fietsen bereden door geüniformeerde militairen, politieambtenaren en PTT-beambten tijdens de uitoefening van hun beroep. Ook vrijgesteld van betaling waren buitenlandse diplomaten met hun gezinsleden (vergelijkbaar met het huidige CD kenteken op auto’s), personen met een tijdelijke visum en buitenlandse grensarbeiders. Twee jaar later werd ook de autorijder door de fiscus ontdekt als mogelijke leverancier van inkomsten ontdekt. De opbrengst van beide belastingen werden in 1934 gestort in een verkeersfonds. De belasting van beide fondsen kwam in één pot waaruit de aanleg van verkeers-, trein- en tramwegen werd betaald. 

Uitgifte en controle

De rijwielbelastingplaatjes kon men tegen betaling verkrijgen op postkantoren, hulppostkantoren en agentschappen, dus niet bij de belastingdienst. Zij moesten duidelijk zichtbaar, voor de contolerende ambtenaar, aan het rijwiel zijn gemonteerd. Was een rijwielbelastingplaatje niet volgens de voorschriften bevestigd, dan riskeerde men een boete van hfl 5.= ( € 2.27 ) tot hfl 25.= ( € 11.34 ) Als men hierbij bedenkt dat een gemiddeld weekloon tussen de hfl 12.50 ( € 5.67 ) en hfl 17.50 ( € 7.94 ) lag, en de gezinnen zeer kinderrijk waren, was dit een zeer grote aanslag op het besteedbare inkomen.

 

 Metaalwaren fabrieken speelden handig op de verplichting in door houders te vervaardigen met een uitsparing voor het betreffende belastingjaar. Er werd zelfs octrooi op aangevraagd; er zijn bij mij maar liefst 22 octrooien bekend van modellen metalen rijwielplaathouders. De houders waren te koop bij rijwielherstellers en “bevestigers”, welke veelal te vinden waren op plaatsen waar veel fietsers samen kwamen, voor hfl 0.10 ( € 0.05 ) tot hfl 0.50 ( € 0.23 ) per stuk. De controle werd uitgevoerd door ontvangers en ambtenaren der Rijs directe belastingen en invoerrechten en accijnzen, deurwaarders bij ’s Rijksbelastingen, de marechaussee en beambten der Rijks- en Gemeentepolitie. Zonder (betaald) rijwielbelastingplaatje mocht er niet gefietst worden. Zonder rijwielbelastingplaatje was het wel toegestaan om met de fiets aan de hand te lopen. Veel fietsers hebben daar dankbaar gebruik van gemaakt. Als er een controle in zicht was, sprong men snel van de fiets om fluitend de ambtenaar te passeren.

Spoedig na de eerste uitgifte bleek dat de plaatjes op een aantal plaatsen waren nagemaakt  en te koop werden aangeboden voor hfl 0.75 ( € 0.34 ) per stuk. Dit had tot gevolg dat de tweede uitgave, voor het belastingjaar 1925, sterk afweek, zowel wat gravure als metaalsoort betreft. (aluminium). 

Kosteloze rijwielplaatjes

Naast de plaatjes waarvoor betaald moest worden, verstrekte de overheid ook gratis plaatjes aan werknemers die niet in de inkomstenbelasting werden aangeslagen. Deze kosteloze plaatjes met daarin een gat kregen zij op de belastingkantoren of op de posten (dienstgeleiders) op kleine plaatsen. Had men een rijwielbelastingplaatje met een gat erin, dan mocht men daar op zon- en feestdagen geen uitstapjes mee doen, behoudens als men kon aantonen dat men ging solliciteren en meer dan een half uur gaans was van het woonadres. Bij een controle moest men tevens een bewijs van inschrijving kunnen tonen. 

 

In de beginjaren varieerde het aantal kosteloze plaatjes tussen de 50.000 en 80.000 stuks, maar zeker voor de jaren twintig is dit geen indicatie voor het aantal Nederlanders dat per fiets naar hun werk moest en niet in de inkomstenbelasting viel. Velen van hen waren te trots om zich met het kenmerk van “armoedzaaiers” ’n plaatje met ’n gaatje te laten zien. De laatste centen werden bij elkaar geschraapt om toch maar een volwaardig plaatje te kunnen aanschaffen en daarmee naar buiten een stuk welvaart te tonen.

Er waren er zelfs bij die het gat in het rijwielplaatje dichtte met een punaisekop en zo voor hun buren toch een beetje welvaart hadden.

In 1932 werden de “kosteloze” aanmerkelijk uitgebreid. De minister van financiën bepaalde toen, door de tijdsomstandigheden gedwongen (grote economische crisis met duizenden werklozen), dat werkloze voor het gebruik van het rijwiel eveneens een kosteloos plaatje konden aanvragen. De uitgifte van kosteloze plaatjes steeg met honderdduizenden. De belastingadministratie dreigde onder deze belangstelling te bezwijken. De effectieve controle van voorheen, hoofd van het gezin, geen inkomstenbelasting, wat niet langer mogelijk. In de steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Groningen voerde men daarom de onsympathieke maatregel van afstempeling van het trouwboekje (hoofd van het gezin) en steun- of stamkaart (inkomen) in. Met het plaatsen van een stempel (rechts bovenin op blz. 2) in het trouwboekje heeft men vele gezinnen jarenlang (nog tot op de dag van vandaag) diep gegriefd. De stempels van het uit onvermogen gratis verstrekte rijwielbelastingplaatje prijken nu nog in menig trouwboekje / familieregister of steun / stamkaart.

Graag zou ik in mijn verzameling trouwboekjes en/of stamkaarten hebben, voorzien van dergelijke stempels om te bewaren voor de volgende generatie. 

 Andere wetenswaardigheden

Voor het belastingjaar 1935/36 werd er een officieel ontwerp gemaakt van een nikkelen, openklapbare, houder waarin jaarlijks een papieren plaatje zou kunnen worden verwisseld.

De fabricagekosten bij ’s Rijks Munt te Utrecht (de maker van alle rijwielbelastingplaatjes) bleven namelijk knagen  aan de schatkist. Het is echter bij een ontwerp gebleven en nooit in omloop gebracht. Niet alleen de regering wilde de kosten naar beneden hebben, maar ook de gebruikers.  Zij toonden hun vindingrijkheid op verschillende manieren. Zo kwam men op het idee om van een bokkingvel (gerookte makreel); het gedeelte tussen de rug en de buik een afdruksel te maken van een belastingplaatje. Men leende het plaatje van de buren en spande daarover het vel. Door persing, een aantal dagen drogen en in model knippen had men een pracht exemplaar. Het lederen hoesje dat was ontworpen voor het dragen op den boven kleding leende zich daarvoor uitstekend. 

Ook diefstal kwam geregeld voor.

Om dat te voorkomen werden er verschillende maatregelen genomen zoals naaminslag in het plaatje, inde koplamp een uitsparing voor het plaatje ( Bodo lamp) en diverse soorten metalen houders voor om de stuurstang van het rijwiel. Ook de wielrijder zelf ging in de verdediging door het plaatje aan het rijwiel of een hangslot vast te solderen.

Met de invoering van het rijwielbelastingplaatje werd ook een sociaal probleem bestreden. De niet meer geldige plaatjes kon men bij de postkantoren deponeren in grote bussen. Het hierdoor verkregen koper was bestemd voor het TBC fonds. Dit fonds heeft vele duizenden kilo’s oude plaatjes verkocht aan de schroothandelaar. 

Ook de vereniging “Arbeid Voor Onvolwaardige” kortweg A.V.O., heeft het mogelijk gemaakt om voor de mindervalide medemens passend werk te bieden door het inponsen van de naam van de eigenaar van het belastingplaatje, ter voorkoming van diefstal. Het inponsen gebeurde veelal op de postkantoren en kostte hfl 0.10 ( € 0.05 ) per stuk.

 Wetswijziging 1935

Bekeuringen werden voor een groot deel bij schikking afgedaan. Was men niet bereid tot transactie, dan kwam de zaak voor de rechter. In Rotterdam werden bijvoorbeeld in 1933 14.711 bekeuring uitgedeeld en kwamen er 2451 mensen voor de rechter. Een gevangenisstraf van enkele maanden was niet ongewoon!!!

In Amsterdam werden er bijna 12.000 personen op de bon geslingerd. De omvang van deze werkzaamheden noopte de minister de wet te wijzigen (wet van 9 mei 1935, Stbld 241), waarbij de strafrechtelijke handeling vervangen werd door een administratieve boete, terwijl de invordering werd overgelaten aan de belastingdienst. De boete werd ten hoogste hfl 5.=  voor het rijden zonder plaatje. Voor het ten onrechte rijden met een kosteloos plaatje kon men een boete krijgen van tenminste hfl 10.= ( 4.54 )  en ten hoogste hfl 100.= ( € 45.38 ).  Werd verwacht dat de boete niet betaald zou worden, dan werd de fiets in beslag genomen tot betaling volgde. De gewijzigde wet stond toe het plaatje aan den bovenkleding te dragen, maar wel duidelijk zichtbaar voor de controlerende ambtenaar. In dat jaar verschenen de eerste lederen hoesjes met een mica raampje (plastic bestond toe nog niet). De verruiming van de wetgeving hadden blijkbaar succes, want in het hele land werden in 1936 nog maar een kleine duizend plaatjesloze fietsers bekeurd en in 1938 was dit aantal zelfs gereduceerd tot slechts 117 wetsovertreders.  

Afschaffing

Hoewel het plaatje voor het belastingtijdvak 1941/42 in ontwerp en productie van ruim zeven miljoen stuks al gereed was voor verzending, werd het op 1 mei 1941 tot ieders vreugde toch afgeschaft. De Nationaal Socialistische Beweging (NSB) gebruikte afschaffing van het zo gehate rijwielbelastingplaatje zelfs in haar  propaganda, want de afschaffing was immers een Duitse maatregel. 

Veel plezier hebben de fietsers er niet van gehad. Al spoedig waren er geen fietsen meer te koop en kort daarna kon men geen banden meer krijgen en uiteindelijk namen de Duitsers ook nog alle bruikbare fietsen in beslag voor omsmelting van het metaal voor de oorlogsindustrie.

Na de tweede wereldoorlog werd er nog wel even gesproken over een herinvoering van het rijwielbelastingplaatje, maar gelukkig is het bij praten gebleven. Met de opkomst van de auto als bron van inkomsten (wegenbelasting) heeft de regering een andere geldstroom gevonden om de schatkist te vullen. 

Verzamelobject

Rijwielbelastingplaatjes zijn tegenwoordig een gewild verzamelobject. Vaak worden zijn aangeboden op veilingen, verzamelbeurzen en rommelmarkten. Ook mensen met een metaaldetector komen ze veelvuldig tegen in bodemvondsten, maar deze plaatjes zijn voor de verzamelaar niet zo interessant vanwege de groene watervlekken en andere aantastingen. Dat er bodemvondsten zijn, komt door de invordering van metaal en koper door de bezettende macht van de tweede wereldoorlog. Vele Nederlanders verstopten hun rijwiel en metaal in de grond, onder struiken en bomen bij boerderijen, landhuizen of afgelegen huizen. De eigenaren zijn dat vergeten of door omstandigheden niet meer opgehaald.

Bij sloop of afgravingen wordt er grond verplaatst, en zo is het weer een object voor metaaldetectie. 

Mijn collectie

Met dit verhaal heb ik een indruk willen geven van de omstandigheden en (omstreden) werkwijze rondom het Nederlandse Rijwielbelastingplaatje. Ik schrijf bewust  “Nederlandse”, omdat niet alleen in Nederland deze belasting is geheven, maar ook in de Nederlandse Overzeese gebiedsdelen, in België, Frankrijk, Zwitserland en zelfs een paar maanden in Duitsland (begin 1900).

Mijn verzamelgebied is Nederland. Als u na het lezen van deze vogelvlucht nog vragen heeft, wil ik die graag beantwoorden. Heeft u aanvullingen van krantenknipsels, foto’s, anekdotes of ander belangrijke zaken, zoals verzenddozen en dergelijke stuur ze mij toe. Mijn doel is de gehele rijwielbelasting in al zijn ups en downs te bewaren voor de volgende generatie.

Ook is er een catalogus op de markt gebracht, waarin in één overzicht alle informatie is te lezen van het betreffende plaatje met een prijsindicatie.

 

Voor reacties:           info@rijwielplaatje.nl

Voor nog meer info: www.rijwielplaatje.nl