Home   Brievenrubriek   Medewerking   Vragen   Onderhoud site   Links   Bronnen   Contact   Auteursrechten   Alle fotoalbums

Staatsmijn Wilhelmina - Limburgse mijnen

 

De staatsmijn Wilhelmina lag in Terwinselen-Kerkrade.Ik ben altijd op zoek naar nieuwe foto's of verhalen over de mijnen heeft u foto's of een verhaal stuur me dit in een e-mail dan kan ik dit plaatsen, natuurlijk niet alleen over de staatsmijn Wilhelmina, maar over alle mijnen. Er zijn op onderdelen nog geen foto's geplaatst dit heeft te maken met de auteursrechten, zodra deze bekend zijn plaats ik meer foto's over de mijnen.

Klik hier verder in het submenu

 

AnsichtenWilhelmina  Ansichten Wilhelmina deel 2 | Ansichten Wilhelmina ondergronds deel 1|

Ansichten Wilhelmina Ondergronds deel 2 | OVS Wilhelmina | Gebouwen Wilhelmina  Hoogste dagproductie |

Lampisterie  | Leermijn   | Gedachteniskapel  | Muziekkorps  | Penningen | Reddingsbrigade  | Schachten Wilhelmina  |

 Seinen in de pijler | Voorschriften op-en neerbraken  |

 

Wilt u deze foto's copieren voor op facebook of elders te plaatsen , dat hoeft U niet te doen dat kan ik zelf ook doen.

Totaaloverzicht Staatsmijn Wilhelmina

 

 

 

 

 

 

 

 

4-10-2007 Leermijn Wilhelmina wordt hersteld (Algemeen)

 

Provincie Limburg geeft een subsidie voor het herstel van een deel van de oude leermijn bij de Wilhelminaberg in Landgraaf. Met deze bijdrage wordt het voor stichting Gedachteniskapel van de Mijnwerkers mogelijk een droom te verwezenlijken. De gang aan de voet van de berg hoorde bij Staatsmijn Wilhelmina en werd tussen de jaren veertig en zestig gebruikt als oefenruimte voor de Ondergrondse Vakschool (OVS). Met het herstel van de eerste meters van de gang, is Landgraaf een van de eerste plekken in Limburg waar weer een stukje mijn toegankelijk wordt.

(Bron: Limburgs Dagblad, 1 oktober 2007)

 

Staatsmijn Wilhelmina (Staatsmijn B)

www.limburgsemijnen.nl"Gegevens verzameld door N. Moonen"

Bron: diversen boeken wij danken de auteurs en uitgevers  van deze boeken.

Staatsmijn Wilhelmina heette aanvankelijk Staatsmijn B. De concessie ervan heette "Ernst"; ze was gelegen te Terwinselen. Deze concessie werd verleend in 1903; toen werd ook met het afdiepen van de schacht begonnen. Bij Koninklijk Besluit van 13 december 1905, no. 29, kreeg Staatsmijn B de naam van "Mijn Wilhelmina". Deze naam werd bij K.B. van 15 januari 1907, no. 51, gewijzigd in "Staatsmijn Wilhelmina". In 1906 werden de eerste kolen gedolven. Op 1 januari 1909 werd de mijn officieel in bedrijf genomen. Ze sloot in augustus 1969. De oppervlakte van het mijnveld was 607 ha.

De Staatsmijn Wilhelmina had twee schachten:

schacht I maaiveld circa + 157,00 m. A.P. diep 823 m. 

schacht II maaiveld circa + 157,00 m. A.P. diep 537 m.

Ten behoeve van de ondergrondse luchtverversing stonden op het bovengrondse bedrijf twee hoofdventilatoren opgesteld. Daarvan deed er een dienst als reserve. Elke ventilator kon per minuut 10.000 m3 lucht uit de mijn zuigen. De elektrische centrale van Staatsmijn Wilhelmina was de bakermat van de stroomvoorziening in Limburg.

Productie

De productie van Staatsmijn Wilhelmina bedroeg ruim 1.000.000 ton steenkool per jaar. De kolen werden in de wasserij verwerkt tot de verschillende soorten huisbrand- en industrienootjes en tot fijnkool. Uit de afvalstenen uit de wasserij en uit het bovengrondse bedrijf is de voor de Wilhelmina zo karakteristieke steenberg ontstaan. Deze steenberg werd zoveel mogelijk beplant met bomen en struiken. Door leerlingen van de Ondergrondse Vakschool werd er ten behoeve van hun school een zwembad aangelegd.

De productie van de Wilhelmina bestond uitsluitend uit magerkool. Die gasarme kool was zeer geschikt voor huishoudelijk gebruik. De Wilhelmina was de enige Staatsmijn die deze koolsoort leverde. In de briketfabriek werd de magerkool verwerkt tot eierbriketten (eierkolen) en in combinatie met vetfijnkool van Staatsmijn Hendrik tot industriebriketten. De briketfabriek had een capaciteit van 1500 ton per dag.

Op de Wilhelmina werd gemiddeld 30% van de totale productie gewonnen in gemechaniseerde pijlers.

De schachten

In de eerste dagen van 1903 werd begonnen met de aanleg van de twee schachten van de Staatsmijn Wilhelmina. Met het oog op de waterhoudende en beweeglijke deklagen werd besloten om bij het delven van de schachten de bevriesmethode toe te passen (verbeterd procédé Poetsch). De doorsnede van de schachten werd op 4,50 m bepaald. Aan de firma Eismaschinen- und internationale Tiefbaugesellschaft Gebhardt und König te Nordhausen (D) werd opgedragen om twee schachten volgens deze methode aan te leggen tot circa 20 m in het kolengesteente. In de loop van 1903 werd een voorschacht gemaakt tot op een diepte van 12 m en werd begonnen met het opstellen van een boortoren met boorvloer. Toen deze werkzaamheden waren geklaard, werd begonnen met het uitvoeren van de bevriesboringen voor schacht II. De levering van de gietijzeren schachtbekleding (cuvelage) werd gegund aan de Schalker Gruben- und Hüttenverein te Gelsenkirchen (D).

Schacht I

Eind februari 1905 werd het boorwerk voor schacht I beëindigd. Hierna ging men over tot bevriezing. In juli werd een aanvang gemaakt met het delven van deze schacht. In september werd het bovenvlak van het kolengesteente op 96,80 m diepte aangetroffen. Eind 1905 had men een diepte van 123 m bereikt. De aanleg van schacht I werd in 1906 door de aannemer voltooid. In april werd het delven onder eigen beheer voortgezet. Eind juni was een diepte bereikt van 163 m. Tevens werd er een steengang gedolven tussen schacht I en schacht II. Op 162 m en op 141 m diepte werden laadplaatsen uitgebroken en bemetseld. De 162 m verdieping was de eerste afbouwverdieping; en de 141 m verdieping werd t.b.v. de luchtverversing aangelegd.

In 1907 werd een ijzeren schachtbok met gebouw boven schacht I opgesteld. Het definitieve hoofdophaalwerktuig voor deze schacht, namelijk een elektrisch gedreven ophaalmachine systeem Ilgner Siemens-Schuckert, werd eind 1907 in bedrijf gesteld. In 1909 werd schacht I vanuit de 253 m verdieping naar de 216 m verdieping en tegelijkertijd vanuit de 216 m verdieping naar de 162 m verdieping over een gedeelte van de doorsnede opgebroken. Daarna werd ze op haar normale wijdte gebracht en tot 258 m diepte afgediept. In 1910 bleef de schacht dienst doen voor het vervoer tussen de 162 m verdieping en de losvloer. Op de 253 m verdieping werd toen begonnen met de aanleg van de laadplaats bij schacht I. In 1911 was op de 253 m verdieping het uitbreken en bemetselen van die laadplaats gereed gekomen. Op het gebouw van schacht 1 kwamen in 1913 nieuwe waterreservoirs gereed.

Met het verder afdiepen van de schacht onder de 253 m verdieping werd in 1916 begonnen. Het afdiepen werd in 1920 gestaakt na het bereiken van een diepte van 426 m onder het maaiveld. De ophaalmachine van deze schacht werd toen voorzien van een tweede ophaalmotor.

Schacht I werd in 1922 gebruikt voor het vervoer van de 253 m verdieping naar de losvloer. Toen werden ook de kooien voor vier wagens vervangen door kooien voor zes wagens. In 1929 werd begonnen met het verder afdiepen van deze schacht vanaf 426 m onder het maaiveld. Op 420 m diepte werd een begin gemaakt met de werkzaamheden voor een nieuwe verdieping. Bij het voortgezette afdiepen van schacht I werd in 1931 een diepte bereikt van 525 m onder het maaiveld. Daarna werd de schacht van een betonnen bekleding voorzien. Op 506 m diepte werd begonnen met het uitzetten van een nieuwe verdieping. In 1933 werd de schachtbok van schacht 1 verzwaard. En in 1936 werd de schacht ook ingericht voor het rechtstreekse vervoer van de 420-m verdieping naar de losvloer.

In 1937 bleef schacht I in gebruik voor het vervoer van de 253-m verdieping naar de losvloer en werd in gebruik gesteld voor het vervoer van de 420-m verdieping naar de losvloer.

Op de 506-m verdieping werd in 1939 een begin gemaakt met de werkzaamheden aan de laadplaatsen van schacht I. Deze werkzaamheden werden in 1940 voltooid. Ook werd toen begonnen met het verder afdiepen van deze schacht onder het 525-m niveau. In 1942 vond het afdiepen ervan plaats tot een diepte van 615 m. In 1943 werd het afdiepen voortgezet naar de Finefrau groep. Eind van dat jaar was een diepte bereikt van 720 m onder het maaiveld. En eind 1944 was bij het afdiepen van deze schacht een diepte bereikt van 882 m onder het maaiveld.

In schacht I werd in 1949 begonnen met de voorbereidende werkzaamheden t.b.v. het uitzetten van de 785-m verdieping. Met de aanleg van de laadplaatsen op die verdieping werd in 1950 begonnen. In 1954 werd de trommelophaalmachine van schacht I vervangen door een nieuwe elektrische ophaalmachine met Koepe-schijf.

Gedurende 1958 werd in de hoofdschacht de naast het hoofdvervoer bestaande houtaflaat gedemonteerd en vervangen door een moderne elektrische materiaallift. Deze werd geplaatst in een segment van de schacht; de ophaalmachine werd opgesteld aan het maaiveld. Het vervoer met behulp van een gesloten metalen dooskooi geschiedde met gebruikmaking van een contra-gewicht. Een van de brede zijwanden van de kooi werd uitgevoerd als deksel; de snelheid bedroeg 2 m per seconde. De maximaal toegestane belasting bedroeg 1750 kg. De inrichting kon worden gebruikt voor het op- en neerlaten van lang materiaal naar de 253-m, de 331-m en de 420-m verdieping. De kooi werd aan het maaiveld en aan de ondergrondse laadplaatsen uit en in de schacht getrokken met behulp van een elektrisch liertje. Daarbij ging die kooi, geleid door rails, in horizontale respectievelijk weer verticale stand over. Het materiaal was met stalen stroppen gebundeld. Het laden ervan in en het lossen ervan uit de zich in horizontale stand bevindende kooi gebeurde door middel van loopkranen. De automatisch werkende ophaalmachine kon vanaf de laad- en losplaatsen worden bediend. Maar ze kon slechts in beweging komen als alle schachtdeuren waren vergrendeld. Het dagelijks vervoer bedroeg ongeveer 100 ton ijzer, voornamelijk stijlen en kappen, zowel naar beneden als naar boven. In verband met de overbelasting van de hoofdschachten kon in het verleden dit vervoer van lang materiaal in hoofdzaak slechts buiten de werkdagen om plaats hebben.

In 1968 kon door inkrimping van de kolenproductie het kolenvervoer door schacht I geleidelijk tot één dienst worden teruggebracht.

Schacht II

In 1904 werden de bevriesboringen en werd het plaatsen van de bevriesbuizen voor schacht II voltooid. Na bevriezing, sinds september 1904, werd op 14 december daar op volgend een aanvang gemaakt met het delven van deze schacht tot in het kolengesteente. In de nabijheid ervan werd in een tijdelijk gebouw een elektrisch onderstation ingericht. Dit diende voor de bediening van de schachtpompen en het ophaalwerktuig ervan en voor het ophaalwerktuig voor de afdieplier t.b.v. het delven van de schachten. In 1905 werd in deze schacht op 95 m diepte het bovenvlak van het kolengesteente bereikt. De delving werd voortgezet tot op 120 m en eveneens voorzien van de gietijzeren cuvelage. Hiermee had de Duitse aannemer zijn werk voltooid. Het verdere afdiepen van de schacht gebeurde in eigen beheer; eind 1905 had men een diepte bereikt van 162 m. Schacht II die vanaf oktober 1905 dienst had gedaan als ophaal- en pompschacht, werd toen als zodanig buiten gebruik gesteld. Eind 1907 werd een aanvang gemaakt met het verdere afdiepen ervan.

In 1908 werd schacht II gedolven van 175 m tot 267 m diepte. Op 253 m diepte werd er begonnen met de aanleg van een laadplaats. In 1909 werd deze schacht tussen de 253-m verdieping en de 162-m verdieping gereed gemaakt voor het vervoer met de kooi. Ze werd in gebruik genomen met behulp van een tijdelijke ophaalmachine. Bij 216 m diepte werd een laadplaats aangelegd en daarna werd een galerij naar schacht I gedreven om deze schacht vanuit de 216-m verdieping naar de 162-m verdieping op te breken.

In 1910 werd op schacht II de definitieve schachtbok met het schachtgebouwen het ophaalwerktuig opgesteld. De schacht werd voorzien van de definitieve schachtuitrusting; ook werd toen het vervoer door deze schacht tussen de 253-m verdieping en de losvloer in werking gesteld. Eveneens werd begonnen met de opstelling van de hoofdventilatoren nabij schacht II.

In 1913 werden in deze schacht de kooien van twee verdiepingen vervangen door kooien van vier verdiepingen. En op de 162-m verdieping werd de laadplaats uitgebreid. In 1922 ging schacht II de 162-m verdieping bedienen. Voorheen gebeurde dat door schacht I. Met het verder afdiepen van schacht II werd in dat jaar een begin gemaakt. In 1923 werd de schacht verder afgediept tot circa 385 m diepte onder het maaiveld. De definitieve betonnen bekleding werd toen aangebracht. Eveneens werd begonnen met de bouw van een laadplaats op het 331-m niveau.

In 1924 werd schacht II behalve voor het vervoer van de 162-m verdieping naar de losvloer ook in gebruik genomen voor het tussenvervoer van de 331-m verdieping naar de 253-m verdieping. In de loop van 1924 werd zij omgebouwd voor het vervoer met grotere kooien vanaf de 162-m verdieping tot aan de losvloer. In verband daarmee werden de ophaalmachine en de schachtbok veranderd. Deze schacht werd in 1927 tevens ingericht voor het rechtstreekse vervoer vanaf de 331-m verdieping naar de losvloer. Schacht II ging het vervoer bedienen vanaf de 331-m verdieping naar de losvloer. Vanaf de 162-m verdieping had geen rechtstreeks vervoer meer door de schachten plaats.

In 1929 werden in schacht II de uit vier verdiepingen bestaande kooien in bedrijf genomen. In 1932 werd begonnen met het verder afdiepen ervan onder de 385 m diepte. Het afdiepen van deze schacht werd in 1935 stopgezet na het bereiken van een diepte van 537 m onder het maaiveld. Op de 506-m verdieping werd de laadplaats gebetonneerd.

De werkzaamheden aan de laadplaatsen van schacht II werden in 1940 voortgezet. In 1947 werden de laadplaatsen op de 506-m verdieping voltooid. Daarna werd deze schacht omgebouwd van de 331-m naar de 506-m verdieping.

In schacht II werden in 1960 versterkingssteunen van het maaiveld af op elke hoofdbalk aangebracht. Hierdoor kon het zijdelings bewegen van de geleidingsbomen belangrijk worden teruggebracht.

Sluiting

De Staatsmijn Wilhelmina stopte haar productie op 1 augustus 1969. Midden november 1969 werd een begin gemaakt met het aanbrengen van de betonproppen in beide schachten ter hoogte van de 162-m verdieping. Beide proppen werden volgens de al eerder door de Staatsmijnen ontworpen methode geconstrueerd als draagproppen. In en naast deze schachten bevonden zich ruimten die ter hoogte van de schachtprop eveneens met beton werden opgevuld. De schuine draagvlakken waarop de proppen onder de verdieping kwamen te rusten, bestonden niet uit hard gesteente zoals bij soortgelijke Staatsmijnproppen. Daarom werd er het bestaande minder goede gesteente weggenomen en vervangen door beton. In schacht II werd de prop aanzienlijk hoger opgetrokken dan in schacht I om zodoende de aanzet van een tweetal oude verdiepingen op respectievelijk 134 en 143 m onder het maaiveld op te vullen. Ter versterking van de schachtwand onder de prop in schacht I werd die schacht enige meters onder de prop volgestort met beton. Daarbij werd gelijktijdig een naast de schacht gelegen verbindingskoker volgestort.

De voorafgaande werkzaamheden werden op 29 januari 1970 voltooid. In totaal werd ruim 1100 m3 beton voor de proppen aangevoerd. Evenals bij de Mauritsschachten werd het betonmengsel met een schachtkooi die als skip was ingericht, tot onmiddellijk boven de prop gebracht en via een trechter met valslurf op de juiste plaats gestort. De opvulling, bestaande uit van het steenstort afkomstige mijnstenen, bereikte in schacht II het maaiveld op 15 april en in schacht I op 6 juni 1970.

De schachtafdichtingen kwamen nog tijdens 1970 gereed. Deze schachtafdichtingen waren van gewapend beton, voorzien van een mangat met putdeksel voor controle en eventueel bijvulling.

Deze mijn had 8 verdiepingen:

141 m verd. + 15,00 m A.P.

162 m verd. -6,00 m A.P.

216 m verd. -60,00 m A.P.

253 m verd. -95,00 m A.P.

331 m verd. -173,00 m A.P.

420 m verd. -265,00 m A.P.

506 m verd. -348,00 m A.P.

785 m verd. -628,00 m A.P.

www.limburgsemijnen.nl"Gegevens verzameld door N. Moonen"

Bron: diversen boeken wij danken de auteurs en uitgevers  van deze boeken.