Home   Brievenrubriek   Medewerking   Vragen   Onderhoud site   Links   Bronnen   Contact   Auteursrechten   Alle fotoalbums

Willem-Sophia mijn te Spekholzerheide-Limburgse mijnen

 

De Willem-Sophia lag in Kerkrade(Spekholzerheide).Klik op ansichten voor de foto's. Bovendien ben ik altijd op zoek naar nieuwe foto's of verhalen over de mijnen heeft u foto's of een verhaal stuur me dit per e-mail dan kan ik dit plaatsen, natuurlijk niet alleen over de Willem-Sophia mijn , maar over alle mijnen.

 

Wilt u deze foto's copieren voor op facebook of elders te plaatsen , dat hoeft U niet te doen dat kan ik zelf ook doen.

 

 

Ansichten Willem Sophia Mijn | Willem Sophia ondergronds  | Hydraulische ondersteuning | Kolenwasserij 

Laadplaats 217 meter | Personeel | Mechanische koolwinning | OVS | Ontslagbewijs | Rampijler  | Reklame |

Schacht Melanie | Schachten | Sloop van de gebouwen  | Sluiting van de mijn |

 Tekeningen van een RampijlerVijftig Jaar geleden oprichting Willem-Sophia  |

 

 

 

 

 

Willem-Sophia    

www.limburgsemijnen.nl"Gegevens verzameld door N. Moonen"

Bron: diversen boeken wij danken de auteurs en uitgevers  van deze boeken.

Lange tijd heeft men- tengevolge van de geologische storing "Feldbiss" -gemeend dat zich buiten de bestaande mijnvelden van Domaniale en Neu-Prick in Nederland geen steenkolenlagen op ontginbare diepte bevonden. Op 9 december 1856 werd de concessie Willem aangevraagd door de "Bergwerkvereeniging voor Nederland". Met gunstig resultaat werden in december 1857 acht verkenningsboringen uitgevoerd. Men vond steenkoollagen op Duits gebied. Door de vereniging Reyniers-Bemelmans en Cie. werd toen met verkenningsboringen begonnen in de buurt van de Ham en nabij de weg tussen Kerkrade en Heerlen. De concessie Willem was 4450 ha. groot, gelegen in de gemeenten Simpelveld, Bocholtz, Eygelshoven, Kerkrade, Nieuwenhagen, Schaesberg, Heerlen en Voerendaal.

In 1858 werd door de firma Reyniers-Bemelmans eveneens een concessie aangevraagd, voor ongeveer hetzelfde terrein als de Bergwerkvereeniging. Later werd tussen beide verenigingen een overeenkomst gesloten: de Bergwerkvereeniging kreeg de concessie en wel op 28 januari 1860. En in 1861 volgde er de concessie Sophia.

In de loop van juni 1862 werd in de Ham begonnen met het maken van een ondergrondse schacht, om de dikte en de helling van de kolenlagen te bepalen. In oktober 1862 moest het werk er gestaakt worden in verband met wateroverlast.

In 1876 begon het afdiepen van de schacht Ham I door de Bergwerkvereeniging voor Nederland N.V. De vaste steenkoolrots werd er al op een diepte van circa 13 meter aangetroffen. Maar door grote wateroverlast moest ook hier gestopt worden, en wel in 1881. De Bergwerkvereeniging ging failliet en tengevolge daarvan werd de concessie in 1898 overgenomen door de "Société Anonyme des Charbonnages néerlandais Willem et Sophia" te Brussel. In 1899 begon deze Maatschappij met het afdiepen van de schachten; de kolenproductie begon in 1902.

In 1923 werd het al in 1898 aangevraagde concessieterrein Prins Hendrik, groot 65 ha, dat voor afzonderlijke exploitatie niet in aanmerking kwam, ten name gesteld van de S.A. des Charbonnages néerlandais Willem et Sophia. Dit terrein, gelegen in de gemeenten Heerlen, Simpelveld en Bocholtz, werd toen aan de concessie Sophia toegevoegd. Hierdoor werd een verbinding van deze concessie met de concessie Willem tot stand gebracht. Daardoor werd het mogelijk het mijnveld Sophia vanuit de mijn Willem te exploreren.

DE SCHACHTEN

De mijn Willem-Sophia had zes schachten:

* schacht Ham I

* schacht I, maaiveld circa + 157,40 m A.P.

* schacht II, maaiveld circa + 157,40 m A.P.

* Sophia-schacht, maaiveld circa + 176,50 m A.P.

* Melanie-schacht, maaiveld circa + 152,75 m A.P.

* schacht Ham II, maaiveld circa + 128,50 m A.P.; de bodem van deze schacht was op + 54,70 m A.P.

In 1876 werd door de Bergwerkvereeniging voor Nederland N.V. begonnen met het afdiepen van de schacht Ham I. De vaste steenkoolrots werd er al op een diepte van circa 13 meter aangetroffen. Maar door grote wateroverlast moest in 1881 hier gestopt worden. In 1885 werd de schacht in de Ham boven de begane grond 3 m. in metselwerk opgetrokken. Het schachtgebouw werd gedeeltelijk ingericht voor werkplaatsen.

In 1884 werden de twee mislukte schachten te Spekholzerheide wegens gevaar voor de publieke veiligheid tot aan de begane grond gevuld.

Schacht Sophia

Met de aanleg van deze schacht werd in 1949 begonnen. Ze was gelegen in het Langveld onder de gemeente Simpelveld. Het Carboon ligt er op een diepte van 118 m. onder het maaiveld. De schacht werd afgediept volgens de bevriesmethode; de schachtwand bestond uit een 1,5 steen-dik-metselwerk, waarachter aansluitend aan de bevroren schachtwand 30 cm dik beton werd gestort. De binnenwand werd 3-steen dik gemetseld, waarna er een bitumenlaag werd aangebracht.

In het begin bestond er nog geen verbinding tussen het Sophia-veld en de mijn Willem zodat de ventilatie in de Sophiaschacht met luchtkokers geschiedde. In 1962 werden op de 217-meter verdieping laadplaatsen en bijbehorende werken aangelegd. Zij dienden uitsluitend voor het transport van vulstenen en materiaal. In 1963 werd een begin gemaakt met het uitzetten van de 150-meter verdieping. Op 25 meter van de schacht af had men de laag Steinknipp aangetroffen.

In 1970 werd de Sophia-schacht aan de 180-meter verdieping afgesloten door een oplegprop met bewapening. De diameter van deze schacht was belangrijk groter dan die van de andere Willem-Sophia-schachten. Later werden er bovenop deze prop vulstenen gestort waarna de schacht met een dekselconstructie werd afgedicht. De totale diepte van deze schacht was 328,14 meter.

De Melanie-schacht

In 1955 werd begonnen met de aanleg van een nieuwe schacht, welke "schacht Melanie" genoemd werd. Die schacht was ten behoeve van de luchtverversing en voornamelijk voor de aanvoer van vulstenen ter ontginning van het Melanieveld. De plaats ervan was op een afstand van 500 meter ten zuiden van de hoofdschachten van de mijn Willem-Sophia. De Melanie-schacht werd afgediept tot in laag Ley en werd via steenhellingen en dalingen verbonden met de lagen Grauweck-Senteweck en Rauschenwerk.

De aanleg van de schacht geschiedde volgens een methode welke destijds nog nooit in ons mijngebied was toegepast. De schacht werd in eerste instantie circa 90 m diep; de dikte van het dekterrein bedroeg 65,30 m. Ten behoeve van het afdiepen in het terrein dat drijfzand bevatte, werden 32 gaten geboord welke geplaatst waren op een cirkel met een doorsnede van 4,60 m. De boorgaten zelf werden met een doorsnede van 57 cm overlappend geboord. De hierbij gebruikte dikspoeling bestond uit een mengsel van water, betoniet en soda, de z.g. betonietspoeling. Zodra een gat de vereiste diepte had bereikt, werd het uitgespoeld en door middel van een op en neer te halen torpedo gevuld met beton. De torpedo was voorzien van een schuifmechanisme dat vanaf de oppervlakte kon worden bediend.

Bij het vullen van de eerste serie boorgaten ondervond men stagnatie. De reden was dat de serie gaten werden vervormd tijdens het vullen van deze boorgaten met beton. Het lukte daardoor niet de torpedo met schuifmechanisme voor het vullen van deze serie boorgaten te gebruiken. Pogingen met een ander soort torpedo mislukten eveneens.

Men besloot buizen van 200 mm te gebruiken voor het naar beneden laten zakken van de betonspecie. Deze methode had succes. Nadat er 56 m waren afgediept en de definitieve metselwerkbekleding was aangebracht, bleek dat zich onder in de voorlopige betonwand een opening bevond, waardoor drijfzand in de schacht stroomde. Er waren toen nog circa 10 meter af te diepen voordat het vaste carboongesteente zou worden bereikt. Men besloot daarom de resterende 10 m af te diepen met gebruikmaking van de caisson-methode.

Aangezien toezicht op de caisson-wet berustte bij de Arbeidsinspectie, vond Staatstoezicht op de Mijnen dat het toezicht op de betreffende werkzaamheden in nauwe samenwerking met de Arbeidsinspectie moest plaatsvinden.

Om de caissons in de schacht te kunnen aanbrengen, werd in het schachtdiepste beton gestort, op drijfzand. Luchtdichte vloeren met verspringende luiken werden op 2,20 m en 4,40 m afstand van deze betonvloer aangebracht. Het schachtdiepste kon zo door sluiswerking onder hoge druk worden gehouden. De nodige druk werd verkregen door aansluiting op de persluchtleiding van de mijn Willem.

Op 8 augustus 1957 werd met het afdiepen onder druk begonnen. De luchtdruk, nodig om het binnendringen van het drijfzand in de schacht te voorkomen, bedroeg 2,2 Atm. overdruk voor het afdiepen van de eerste 5 meter; hierna moest de druk worden opgevoerd tot 2,7 Atm. overdruk. Het afvoeren van het materiaal dat vrij kwam, geschiedde met een ton, nadat proeven met een zuigpomp waren mislukt. Telkens na 1 meter afdiepen werd de definitieve betonbekleding aangebracht.

Aan de bepalingen van de Caissonwet 1905 inzake de medische keuringen en de maximum leeftijden van het personeel werd strikt de hand gehouden. Voortdurend was een arts aanwezig (3 artsen waren ter beschikking); ook was er een recompressie- of ziekensluis. Aan de kant van Staatstoezicht op de Mijnen werden een daartoe speciaal gekeurde Inspecteur der Mijnen en een Mijntechnisch-Ambtenaar belast.

Ten aanzien van de tijden en methodes van het in- en uitsluizen van het personeel bleek de Nederlandse Caissonwet verouderd te zijn. Daarom werden de voorschriften welke in Duitsland voor deze werkzaamheden golden, toegepast indien deze strenger waren. Later werden de nog strengere voorschriften van de Amerikaanse Marine gevolgd.

Bij diverse arbeiders deden zich minder ernstige gevallen van de z.g. caisson-ziekte voor. Door de aanwezige artsen werd hiervan, conform de Caissonwet 1905, een gedetailleerd logboek bijgehouden.

De werkzaamheden werden uitgevoerd door de firma Hallingen uit München (D). Op 4 oktober 1957 werd het afdiepen onder druk beëindigd. Op 8 oktober daar op volgend werd de druk afgelaten en werd op normale wijze verder afgediept tot op een diepte van 80 meter. Aan het einde van 1957 werd op deze diepte een begin gemaakt met het uitzetten van een bunker voor vulstenen. In 1958 kwam deze bunker gereed. De lengte, breedte en hoogte ervan waren respectievelijk 24 m, 2,4 m en 2,18 m.

Hierna werd het afdiepen van de schacht hervat van 80 m tot 108,30 m. Op dit niveau werd de laadplaats met een lengte van 22 m in gewapend beton aangelegd. De schacht kreeg daar verbinding met de ondergrondse werken. In 1959 was dit werk voltooid.

Zes jaar later echter werd de Melanie-schacht 132 m verder afgediept tot beneden de 217-m verdieping, terwijl de hele schachtuitrusting tot op deze verdieping werd ingebouwd. De totale lengte ervan was toen 230,32 meter.

Een bijzonderheid die zich eveneens nog nooit in ons mijngebied had vertoond, was dat de geleidingsbomen 50 graden waren gedraaid van noord naar noord-west-richting. Dit was gedaan omdat de laadplaats op de 217-m verdieping evenwijdig aan een storing was uitgezet en zodoende niet in dezelfde richting liep als de bovengrondse losvloer.

In 1967 werd in de Melanieschacht een nieuwe schachtstoel met nieuwe ophaalinstallatie aangebracht. Verder werd de één-etage-kooi in deze schacht vervangen door een drie-etage-kooi.

In verband met de sluiting van de mijn Willem-Sophia (voorgenomen in de eerste helft van 1970) werd het personenvervoer in de Melanieschacht al in 1969 beëindigd. Als eerste van de vijf schachten van de mijn Willem-Sophia werd de Melanieschacht afgesloten met een betonnen kleefprop vanaf het niveau van de 100-m verdieping. Deze prop kreeg een hoogte van ruim 25 meter, waardoor aansluitend de aan de schacht uitmondende vulsteenbunker met beton werd opgevuld.

Deze mijn had 10 verdiepingen:

100 m. verd. + 53,27 m. A.P. (scht. Melanie).

105 m. verd. + 52,50 m. A.P. (scht. II) .

150 m. verd. + 27,47 m. A.P. (scht. Sophia) .

180 m. verd. + 0,06 m. A.P. (scht. Sophia),

180 m. verd. -22,75 m. A.P. (scht. I + II).

217 m. verd. -51,54 m. A.P. (scht. Sophia),

217 m. verd. -56,88 m. A.P. (scht. Melanie)

240 m. verd. -82,73 m. A.P. (scht. I + II) .

296 m. verd. -131,70 m. A.P. (scht. Sophia),

296 m. verd. -138,75 n. A.P. (scht. I + II).

395 m. verd. -237,75 m. A.P. (scht. I + II).

485 m. verd. -327,75 m. A.P. (scht. I + II).

590 m. verd. -432,75 m. A.P. (scht. I + II).

De sluiting volgde in april 1970. De oppervlakte van de concessie bij de sluiting was 1600 ha.

www.limburgsemijnen.nl "Gegevens verzameld door N. Moonen"

Bron: diversen boeken wij danken de auteurs en uitgevers  van deze boeken.